Dragrace Reglementen

Speedgroup informatiebijeenkomst

Speedgroup, de drijvende kracht achter het FIA en UEM Europees Kampioenschap Drag Racing en de onlangs opgezette EDRS European Drag Racing Series, houdt ieder jaar ruim voor aanvang van het seizoen bijeenkomsten om rijders en teams te informeren over de stand van zaken rond hun titelstrijd. Tot op heden bleef het aantal bijeenkomsten beperkt tot een meeting in Zweden en Engeland. Met de opzet van de EDRS European Drag Racing Series en de dus veel grotere groep Sportsman-rijders is dit aantal bijeenkomsten uitgebreid naar vier. Omdat er dit jaar in Nederland geen SFI keuringsdag is, staat ons land niet op het programma, maar bij voldoende belangstelling is er ook een meeting in Nederland mogelijk.

Join the club: engelstalige Speedgroup informatie op pdf-bestand. Klik hier.

Lees verder op: autosport.nl 

Tekst: Remco Scheelings

FacebookTwitterHyvesShare

Oproep aan motorrijders

Beste motorrijders,

als jullie nog veranderingen en/ of aanpassingen willen in het KNMV regelement, dan kunnen jullie dit met de desbetreffende klassenvertegenwoordiger opnemen.
Dit kan tot 28 oktober a.s. De klassenvertegenwoordiger dient uiterlijk 29 oktober de keurmeesters op de hoogte hebben gebracht van de verandering en/ of aanpassing in het regelement.
Mails die na 29 oktober binnen komen kunnen niet meer mee genomen worden voor het regelement 2012.

Alle klassenvertegenwoordigers dienen per mail aan te geven bij René v.d. Berg (info@sharkattack-dragracing.com) of bij Gijs de Ruiter (g.deruiter@ihcmerwede.com) of ze nog klassenvertegenwoordiger blijven in 2012. Graag even de klasse er bij vermelden.

Graag voor 28 oktober a.s door geven

Groet,

René van den Berg
Gijs de Ruiter

 

FacebookTwitterHyvesShare

Huishoudelijk en milieu reglement 2011

Hierbij huishoudelijke en de milieu regels voor de evenementen van 2011 te Drachten.
Door het bestuur wordt er uitdrukkelijk op artikel 11 gewezen, de maximale snelheid in de pits en de conseqenties daarvan.

- HUISHOUDELIJK REGLEMENT & MILIEU REGLEMENT – DRACHTEN 2011

- DOMESTIC EVENT REGULATIONS & ENVIRONMENTAL REGULATIONS – DRACHTEN 2011

FacebookTwitterHyvesShare

2010 Reglementen voor motoren online

De 2010 reglementen voor motoren staan online en zijn hier te vinden;
The 2010 rules for bikes are online and can be found here:

http://www.explosiondragracing.com/dragracing-drachten-info/2010-reglementen-motorenbikes/


FacebookTwitterHyvesShare

2009 juni – Pitstraat layout – Tijdschema’s kwalificatie runs

Pitstraat layout:

2009 PitPlan-Drachten1.pdf

Time-schedules qualifications:

2009-Juni-Tijdschema-Vrijdag.pdf
2009-Juni-Tijdschema-Zaterdag.pdf

FacebookTwitterHyvesShare

2009 Juni – Deelnemer en bezoekers Reglementen

2009 June – Participants and visitors rules:

Klik om het PDF-bestand te downloaden:
(click to download the PDF-file:)
———————————–
2009 Drachten Dragracing Huishoudelijk Reglement 1.pdf

2009 Drachten Dragracing Huishoudelijk Reglement 2.pdf

2009 Drachten Dragracing Milieu Reglement.pdf

FacebookTwitterHyvesShare

Auto’s

Aanvulling/veranderingen reglementen voor 2005:

(voorgaande regels komen hiermee te vervallen)

 

Points 3:

Points at each round will be allocated as follows for every competitor:

Attendance points: each competitor who has been scrutineered and signed on: 11 points

Abandonment: In the event of racing being terminated or abandoned by bad weather before conclusion, points will be rewarded up to the last completed round of competition or qualifying for each class.

Points awarded in a (4, 8, 16 of 32-Field) :

11 points after event registration and tech inspection

Qualifying position:
1 : 8 points

2 : 7 points

3 : 6 points

4 : 5 points

5 and 6 : 4 points

7 and 8 : 3 points

9 t/m 12 : 2 points

13 t/m 32 : 1 point

Eliminations 32-Field 16-Field 8-Field 4-Field
Winner

110 pnt

100 pnt

90 pnt 80 pnt
Runner-up 90 80 70 60
Loser 4e round 70 - - -
Loser 3e round 50 60 - -
Loser 2e round 30 40 50 -
Loser 1e round 10 20 30 40

Improvement Dutch record: 10 points.

 

Points awarded in Classes with a all-bike/car-run :

11 points after event registration and tech inspection

Qualifying position:
1 : 16 points

2 : 15 ,,

3 : 14 ,,

4 : 13 ,,

5 : 12 ,,

6 : 11 ,,

7 : 10 ,,

8 : 9 ,,

9 t/m 12 : 8 ,,

13 t/m 16 : 7 ,,

17 t/m 20 : 6 ,,

21 t/m 24 : 5 ,,

25 t/m 28 : 4 ,,

29 t/m 32 : 3 ,,

33 t/m 48 : 2 ,,

49 t/m 64 : 1 point

Eliminations 33-64 Field 17-32 Field 9-16 Field 5-8 Field tot 4 Field

Winner 100 90 80 80 80 points

Runner-up 80 70 60 60 60 ,,

Loser 5e round 70 – - – - ,,

Loser 4e round 60 60 – - – ,,

Loser 3e round 50 50 50 – - ,,

Loser 2e round 40 40 40 40 – ,,

Loser 1e round 30 30 30 30 30 ,,

Improvement Dutch record: 10 points. (in classes without a index).

Ties: 4
In the event of a tie between racers for first place in the championship after conclusion of all rounds, the winner will be determined in the following matter:

A] The rider who has won the most races during the championship. If there’s still a tie, then:

B] The rider who qualified highest at the final round of championship.


9

De volgende klassen rijden volgens een sportsmanfield:

SB
USB
ST
Streetmachines ET
SSC
SG
SC
CE

De volgende klassen rijden volgens een Pro field

SSB
SST
STTG
FB
TF
Bike
PM

 


Reglementen Auto’s 2004

(alle voorgaande uitgaven komen hiermee te vervallen)


SFI Spec 3.2A/10, 3.2A/15 en 3.2A/20 Racers die gebruik maken van deze specifieke kleding moeten nagaan of de productie van deze kleding van een bepaald jaar onderhevig is aan een hercertificatie bij de producent van deze kleding.De navolgende tabel geeft aan wanneer men de kleding dient te hercertificeren:

Productiejaar

Vervaldatum certificatie

Niet bekend of geen

31-12-2004

2001

31-12-2005

2002

31-12-2006

2003

31-12-2007

2004

31-12-2008

Als men in bezit is van kleding volgens bovenstaande SFI Spec en vervalt de certificatie neem dan contact op met de originele producent van de kleding om na te gaan hoe de procedure van de hercertificatie verloopt.


 

DRAGRACING

OVERZICHT KLASSEN

JRSMSSTSGSC

CE

PM

Junior DragsterStreet Machines ETSuper Street CarSuper GasSuper Comp

Competition Eliminator

Pro Modified

Bracket systeem in drie categorieën.Bracket systeem index 12,00 – 14,99 secindex 10,90 secindex 9,90 secindex 8,90 sec

diverse indexen volgens vastgesteld systeem

alleen auto’s met deuren, geen index

(1/8 mile: 7,50 – 9,59 sec )(1/8 mile: 6,90 sec)(1/8 mile: 6,30 sec)(1/8 mile: 5,70 sec)

Voor een aantal klassen zijn de reglementen vertaald uit het Car & Bike Drag Racing Rulebook 2003 van de MSA (Motor Sports Association – GB) en dit boek moet worden gezien als leidraad. Bij conflicten verwijzen wij naar de originele reglementen van de MSA.

Het Algemeen Reglement voor Dragraces, waarnaar in verschillende klassen wordt verwezen, heeft betrekking op de Engelse versie van het MSA Rulebook 2003. Het algemeen reglement is eventueel in het Nederlands verkrijgbaar via de (algemeen) klassenvertegenwoordigers van Drag Race Vereniging Explosion.

Nadere informatie is te vinden op de internite site: www.explosion.nl

Het Bijzonder Reglement Rijgedrag van de KNAF is niet van toepassing op Dragracing.


Specifications vehicles: 1

Motorcycles and cars must comply with standing technical regulations.

Classification: 2

At the conclusion of the season, all points scored in a class by all competitors in this class will be added together and the rider with the highest number of points will be declared Open Dutch class-champion.

At the conclusion of the season, all points scored by Explosion members will be added together and the rider with the highest number of points will be declared Explosion c lass-champion. Number of scoring points to be announced prior to start of next season.

Points: 3

Points at each round will be allocated as follows for every competitor:

Attendance points: each competitor who has been scrutineered and signed on: 100 points

Abandonment: In the event of racing being terminated or abandoned by bad weather before conclusion, points will be rewarded up to the last completed round of competition or qualifying for each class.

Qualifying points 8-field or less:

(With less competitors than 8, points are still rewarded according to list.)

1st 80 points 5th 40 points

2nd 70 points 6th 30 points

3rd 60 points 7th 20 points

4th 50 points 8th 10 points

Qualifying points fields larger than 8:

1st 10 points x number of competitors. All subsequent qualifiers: 10 points less.

Or; points are: (n + 1 – Q) x 10 Where: n = number of competitors

Q = qualified position

For example:

– Number of competitors: 13

– Position qualified in: 5th Points: (13 + 1 – 5) x 10 = 90 pt

Elimination points: 100 points for each winning run.

N.B. On a solo bye-run a competitor is considered the winner once he stages his machine under power and the start sequence is initiated.

Bonus points: -Event low ET: 25 points. Except the classes Junior Dragster, Street Machines ET and Competition Eliminator.

Sprint: Points rewarded as per Drag race-qualifying.

Points rewarded to following classes: PS, ST, SB, USB, SST, SSB, SM/ET and SSC.

Runs faster than index will be qualified behind lowest valid ET, with the lowest non-valid ET placed last.

Other classes: Demo only.

Ties: 4

In the event of a tie between racers for first place in the championship after conclusion of all rounds, the winner will be determined in the following matter:

A] The rider who has won the most races during the championship. If there’s still a tie, then:

B] The rider who qualified highest at the final round of championship.

 

Startnumbers: 5

The startnumber in a class is reserved for the rider, ending in the Sprint- & Drag­racing Championship the previous year in that position, for the duration of the season. This startnumbers are still reserved, even if the rider is not competing or is moving to another class. All other, subsequent startnumbers are designated by race control by the beginning of each event. In the event riders wishing another startnumber for a particular reason: with consensus of all riders involved, an­other number can be given by the racing secretary before the beginning of the season.

Entry fees: 6

Fees may vary due to particular circumstances involving the organisation of a particular event. In case of abandonment, entry fees paid for the event will not be refunded by the organiser.

Qualifying: 7

A minimum of 3 sessions qualifying will be held; track conditions permitting. There will be compulsory alternate lane qualifying. For first qualifying runs pairs should be run where possible, lane choice for first qualifier is at the discretion of the start crew and singles should be restricted to one only per session, track conditions permitting. A valid qualifying run must be made under engine power and an ET and/or TS must be recorded. In the event of identical qualifying elapsed time, the driver with the faster top speed, recorded on the qualifying runs in question, will be awarded with the lower qualifying position. Runs faster than the index of a particular class, will be placed behind the last valid ET-qualifier, with the fastest ET placed as last qualifying position.

Choice of lane: 8

The rider with the quickest time from the preceding round will be allowed to inspect the start line, if required, immediate prior to the running of his/her class. The driver with the better qualifying ET gets first round lane choice, and in subsequent rounds, lane choice goes to the driver with the lowest ET in the previous round.

Elimination ladder: 9

In all classes, except one, the Sportsman Ladder will be used. Only Pro Mod used a Pro Ladder.

Category pairings are based upon established FIA “Ladder” charts.

Sportsman Ladder system (32 field): 1 – 17, 2 – 18 ……… 16 – 32.

Sportsman Ladder system (16 field): 1 – 9, 2 – 10 ……… 8 – 16.

Pro Ladder system (16 field): 1 – 16, 2 – 15 ……… 8 – 9.

Prior to the first round of any elimination, pairings will be announced. Any queries concerning pairings should be taken up with Race Control not later than one hour before racing is scheduled to start. All classes will be given adequate notice of their running time. All elimination pairs must be run in order of the ladder.

Field size: 10

The maximum size of the elimination ladders for Junior Dragster, Street Machines ET, Super Street Car, Super Gas, Super Comp, Competition Eliminator and Pro Mod is 32 cars.

The maximum size of the elimination fields can be changed by the race director.

Alternates: 11

It is the responsibility of competitors to report breakages no less than half an hour after the last qualification rounds.
Once qualifying has concluded and a ladder has been established, pairings will not be changed. Alternates will not be eligible for any round points, regardless of how far they advance past round one. All first-round points and cash awards will be remain with the qualified driver. The cash awards paid to the alternate will be less the amount paid to the original qualifier. The first alternate will be positioned to race the slowest of the opponents made available by original qualifier failure to appear in round one, the second alternate to race the next slowest qualifier and so on until the ladder is complete or all alternates have been assigned ladder positions.

 

Burnouts: 12

All pre-race burnouts are restricted to designated areas, using water only. If a contestant’s vehicle should break on a burnout and cannot back up or be push­ed back, it’s not permitted to turn on the track and drive back to the starting line. Crossing the centreline during a burnout is not a disqualification. Fire-burn­outs are strictly prohibited.

Length and time duration of the burnout must be reasonable and in concert with the opponents procedures. Streetbike classess and Street car classes may not cross the starting line on any burnout. Stationary burnout limit: five seconds. Additional burnout limitations are at the discretion of Race Control.

Staging: 13

Once a vehicle reaches the front of the staging lanes for a run, it must be prepared to fire. In order to be a legitimate winner, a contestant’s vehicle must self start and self-stage. This rule also applies to single runs. Push-starting or push-staging any vehicle is prohibited. Staging must be done under the vehicle’s own engine power. Re-starts are allowed as necessary, however, it must be done in a time frame that permits the contestant to complete the run with the designated opponent. If the opponent has been sent on a single run – the bike losing fire may not restart and the run is forfeited.

The application or use of any device, mechanical or electronic, that permits the driver to ascertain the position of their vehicle in relation to the starting line is prohibited. Only visual observation of track equipment may be used to ascertain the vehicle’s position.

In all car-classes preceded by “Super” (i.e. SSC, SG, SC); both riders must be in pre-stage before either rider can stage. THE FINAL STAGING MOTION, USING APPLIED POWER, MUST BE IN A FORWARD MOTION GOING FROM PRE-STAGE TO STAGE POSITION.

A reasonable amount of time will be permitted for drivers to stage. The time limit will be determined in the sole and absolute discretion of the Official Starter. Failure to stage upon the starter’s instructions is possible grounds for disqualification. After proper staging and receiving the Starter’s signal to go, re-staging for a second time is prohibited. Any driver leaving the starting line before the start system is activated, including riders on a single run, will have their time disqualified for the run.

Single runs: 14

In situations where a driver is making a single run, he is considered the winner once he stages and receives the start signal, or is declared winner by the official starter. If a competitor crosses the boundary line on a single run, the elapsed time is voided for lane choice determination.

Break-out rules: 15

Contestants who run below the posted index or category standard during eliminations are disqualified, with the following exceptions:

1. When an opponent foul starts or crosses a boundary line.

2. On a single run.

3. When both riders run under their index, the driver that is the least under is the winner.

4.If two contestants run under by the same margin (with ET’s extended to a thousandth of a second), the driver crossing the finish line first is the winner.

Disqualifications: 16

- Red light foul start: Leaving before the start system is activated.

- Lane boundary crossing violation: It is considered a disqualification when any portion of a tyre completely crosses the painted line surface. In case multiple boundary lines are utilised, the line directly adjacent to the competitors racing lane will be used for reference. Intentional crossing of boundary lines to leave track or avoid depositing debris or oil on track, are not grounds for disqualification.

- Excessive braking: Anytime it has been judged that excessive braking has resulted in the loss of control as to cause contact with the guard-rail, light fixtures, or crossing the centre boundary lines – INCLUDING PAST THE FINISH LINE – the contestant will be disqualified.

- Contact with track fixture.

- Alcohol or drugs: Any driver and/or pit crew member found to be under the influence of alcohol or drugs, regardless of amount during racing, will be ejected from the event.

First or worst procedure: If both riders commit a foul during a race the rider committing the worst foul will be disqualified for that run. If both riders commit the same foul then the first rider committing the foul is disqualified. The following list of fouls is in descending order (i.e. 1 is worst):

1. Contact with any track fixture (i.e. Christmas tree, timing equipment, guard rail etc.) is grounds for disqualification.

2. Excessive braking.

3. Crossing any part of the track centerline or boundary lines.

4. Red light.

Machine weighing: 17

It’s the responsibility and discretion of the race organiser to weigh machines before or after each qualifying or elimination run where weighing brakes are in force.

 

Blue Line: 18

Any crew member of a vehicle touching the vehicle after the front wheels have crossed the blue line in the starting line area will be automatic disqualification for that vehicle.

Protest: 19

Protests are only acceptable, presented to the class-representative, within 30 minutes after announcement of the racing results, paying a fee of EUR 25,-, plus EUR 100,- in case of displacement check involving cylinder head removal. If an inspection proves a protested vehicle to be out of its proper class, fees will be refunded.

A protested vehicle must be presented, and if required disassembled for inspection by the owner and/or crewmembers upon official demand. Refusal is cause for disqualification and denial of points and price money.

In case an engine displacement found corresponding to the class regulations, the owner receives EUR 100,- to compensate for engine stripdown costs. The fol­lowing tolerances or margin for error are recommended during inspection or teardown: 1 percent or 1 cc.

In all issues the above regulations are not sufficient the KNAF Autosport Jaarboek and the Car & Bike Drag Racing Yearbook 2003 of the MSA (Motor Sports Association GB) decisions are final and are judged by Race Control.


STREET MACHINES ET

ledereen met een straatauto kan zich inschrijven en meedoen. Onder een straatauto wordt een auto verstaan welke is toegelaten voor gebruik op de openbare weg.

REGLEMENT STREET MACHINES ET

Art. 1 DEFINITIE:

De Street Machine klasse is een klasse voor personenauto’s, sportwagens en pick-ups met een oorspronkelijke bodyvorm en maat met werkende originele verlichting, voorzien van een geldig kenteken en een geldig APK bewijs (voor buitenlandse deelnemers TUV, MOT, etc). De klasse wordt verreden volgens het Bracket systeem en is daardoor zeer geschikt als beginnersklasse voor het drag racen in Nederland. De index voor de Street Machines ET is 12.00-14.99 seconden voor de 1/4 mijl (400m) en 7.50-9.59 voor de 1/8 mijl (200m). Zogenaamde groene handelaars kentekens zijn niet toegestaan. APK uitzonderingen voor nieuwe auto’s: 3 jaar en voor geïmporteerde auto’s: 1 jaar met RDW keuring (kenteken). De APK eisen zullen bij de technische keuring steekproefsgewijs worden gecontroleerd, met uitzondering van zicht -belemmerende objecten welke uit de motorkap steken, zoals blowers, tunnelram of hoodscoop. Alle auto’s moeten stilstaand zonder hulp van buitenaf kunnen starten.

Art. 2 MODIFICATIES/ROLBEUGEL EN ROLKOOI:

Algemene modificaties zoals spoorbreedte, schokbrekers, veren en stabilisatorstangen om de wegligging te verbeteren zijn toegestaan. Een rolbeugel (roll bar) is verplicht voor alle auto’s die harder rijden dan 7.5 seconden op de 1/8 mijl en 12.0 seconden op de ¼ mijl. Een rolkooi (roll cage) is verplicht voor alle auto’s die voorzien zijn van een veranderde bodemplaat en/of firewall en harder rijden dan 7.5 seconden op de 1/8 mijl en 12.0 seconden op de ¼ mijl. Een aandrijf as loop (driveline safety loop) is verplicht voor alle auto’s die harder gaan dan 7.5 seconden op de 1/8 mijl en 12.0 seconden op de ¼ mijl. Een rolbeugel (roll bar) is altijd verplicht bij convertibles, roadsters en ander open auto’s. Een rolkooi (roll cage) is ook verplicht zodra een auto in deze klasse boven de 217 km/u rijdt. Aanbevolen wordt om het voertuig minimaal te voorzien van een rolbeugel (roll bar). Constructie tekeningen en nadere informatie staan vermeld in het algemeen reglement 2:4, 4:10 en 4:11.

Art. 3 UITLAATSYSTEEM EN ACCU:

Een volledig uitlaatsysteem met dempers is verplicht en mag niet boven de 98db geluidsgrens komen. Alle accu’s moeten stevig worden vastgemaakt. Accu’s mogen niet verplaatst worden naar rijders of bijrijders compartimenten, tenzij dit gebruikelijk is bij het type auto. Als de accu achterin geplaatst wordt moet de accu in een afgesloten bak, van 0,6 mm Staal of 0,8 mm Aluminium of in een polyester bak worden geplaatst. De accu moet wel apart vastgezet worden aan het chassis, en zodanig dat de accu niet los kan komen bij een crash. Aanbevolen wordt om met 2 “M8″ bouten de accu vast te zetten. De + pool moet afgeplakt zijn. Als accu achter in de auto is geplaatst moet er achter op de auto een hoofdschakelaar worden geplaatst, welke over de positieve zijde van de accu is geschakeld.

Art. 4 TRANSMISSIE:

Uitsluitend OEM-type transmissie zijn toegestaan. Automatische versnellingsbakken die niet zijn voorzien van een omgedraaid schakelpatroon (reverse shift pattern), dienen voorzien te zijn van een inrichting die voorkomt dat men zo maar de achteruitversnelling in kan schakelen (auto-reverse lockout). Alle auto’s met een automatische versnellingsbak mogen alleen kunnen starten in parkeer- of neutraal stand. Clutchless transmissies zijn niet toegestaan.

Art. 5 BRANDSTOFFEN:

Het gebruik van octaanboosters en vliegtuigbenzine is toegestaan. Het gebruik van methanol, alcohol, en/of nitromethaan is niet toegestaan.Alle niet standaard brandstof leidingen dienen van metaal of staal geweven omhulsel te zijn voorzien. Er mag maximaal 30 cm van de totale leiding niet zijn voorzien van beschermende omhulsel.

Art. 6 LACHGAS:

Het gebruik van commerciële lachgas (N0S) is toegestaan, maar alleen in een speciaal daarvoor bestemde fles en commerciële lachgassystemen zijn toegestaan. Deze mogen alleen in het rijdercompartiment zijn gemonteerd indien voorzien van een veiligheidsventiel waaraan een naar buiten de auto lopende slang is gemonteerd. Een inrichting die het onmogelijk maakt het lachgassysteem te activeren als de motor niet loopt (zoals een oliedruk contact) is verplicht. Lachgas alleen toegestaan in combinatie met benzine. Lachgas in combinatie met een blower of turbo is niet toegestaan. Een NOS sticker dient duidelijk zichtbaar aangebracht te worden op de plaats waar de fles zich bevindt. Zie algemeen reglement 1:9 en 9:7.

 

Art. 7 LINE LOCKS:

Alleen goedgekeurde line lock systemen mogen worden gebruikt voor het maken van een statische burn-out. Dit systeem dient vanuit het rijdercompartiment te worden bediend en automatisch het normale remcircuit te herstellen nadat de burn-out is voltooid. Inwendige versnellingsbak rem (transbrake) en/of cardanrem zijn toegestaan.

Art. 8 OVERLOOP RESERVOIRS:

Vloeistof overloop en ontluchting van het koelsysteem dient verplicht te zijn aangesloten op een overloop reservoir met een minimale inhoud van 500 cc. Het is verplicht om het overloop reservoir te voldoen aan de eisen volgens algemeen reglement 1:7.

De olie overloop reservoir en ontluchting dient minimaal op de originele wijze van de auto aanwezig te zijn. Het wordt sterk aanbevolen om een grotere overloop reservoir te installeren en zorg te dragen voor een goede afsluiting. Zie algemeen reglement 1:15.

Art. 9 STUURINRICHTING:

Alleen normale stuurinrichtingen zijn toegestaan. Aanslagnokken zijn verplicht.

Art. 10 VEILIGHEIDSGORDELS:

Minimaal driepunts veiligheidsgordel is verplicht. Het gebruik van heupgordels is niet toegestaan. Aanbevolen wordt om een vierpunts veiligheidsgordel te gebruiken. Zie algemeen reglement 10:5, 10:6 en 10:11.

Art. 11 ACCESSOIRES:

Ruitenwissers, ruitensproeiers, claxons, dynamo en richtingaanwijzers dienen werkend aanwezig te zijn. Auto’s met verborgen koplampen moeten de koplampen in de overdag positie hebben. Kentekenplaten aan voor- en achterzijde verplicht.

Art. 12 BANDEN EN VELGEN:

Alle banden en velgen, die volgens de Algemene Verkeerswet zijn goedgekeurd, zijn toegestaan. Ook zogenaamde race slicks zijn toegestaan. Bij gebruik van race slicks zijn aftermarket assen verplicht. Het is verplicht om de banden en velgen minimaal binnen de wielkasten te laten vallen. Volgens de norm van het Voertuigreglement mogen echter de wielen onderscheidenlijk banden niet meer dan 30 mm uitsteken. Deze norm wordt als maximum aangehouden.

Art. 13 KLEDING EN HELM:

Lange broek en shirt (geen nylon en/of plastic) met lange mouwen zijn verplicht. Een brandwerend jack wordt aanbevolen. Handschoenen aanbevolen. De rijder is verplicht een helm te dragen. De helmen moeten voldoen aan de eisen om geschikt te zijn voor de gemotoriseerde sport en dienen minimaal te zijn voorzien ven een E(EG) goedkeuringsnummer. De bestuurders van voertuigen die sneller rijden dan 13.99 seconde maar niet sneller dan 12.00 seconde dienen een helm te dragen met de volgende goedkeuringsemblemen (zie algemeen reglement 10:7) :

• E(CE) Serie 03, 04 of 05 (Europa)

• ONS/OMK (rode sticker, Duitsland)

• SIS 88.24.11 (Zweden)

• NF S 72.305 (Frankrijk)

• DS 2124.1 (Denemarken)

• SFS 3653 (Finland)

• B.S.I. BS 6658-85 Type A/FR (Groot Brittanië)

• Snell Specificaties

• SFI Foundation 31.1A en 41.1A (open face helmen)

• SFI Foundation 31.2A en 41.2A (full face helmen)

Helmen dienen in goede conditie te verkeren (dit ter beoordeling van de keurmeester).

Art. 14 KEURING:

Alle auto’s dienen schoon en goed verzorgd (dit ter beoordeling aan de keurmeester) ter keuring worden aangeboden met overlegging van de geldige autopapieren.

Art. 15 RIJDERSLICENTIE:

Rijders dienen in het bezit te zijn van een geldige nationale of internationale KNAF licentie. De mogelijkheid voor een eendagslicentie zal worden opengehouden voor rijders die het een keer willen proberen. Dit geldt alleen voor de nationale races. De kosten voor een eendagslicentie zullen € 25,– (afhankelijk van het KNAF tarief) bedragen. Er wordt maar 1 maal een daglicentie uitgegeven.

Art. 16 RACENUMMERS:

Zijn door de organisatie te bepalen (voor nationale wedstrijden geldt het startnummer dat door Vereniging Explosion wordt uitgegeven voor het hele seizoen). De racenummers dienen ordelijk en netjes (dus geen schoensmeer of plakband) te zijn aangebracht op twee zijden en aan de voorzijde van de auto. De deelnemer dient hier zelf voor te zorgen. Zie algemeen reglement 7:3.

Art. 17 BURN OUTS:

Het maken van burn-outs zijn alleen toegestaan op de speciaal daarvoor aangewezen plaatsen in het startvak en niet langer dan 5 seconden stilstaand. Een rollende burn-out mag alleen voor de startstreep worden verricht en er niet overheen.

Art. 18 ARMBESCHERMING:

Armbescherming is verplicht in alle soorten voertuigen zonder dak. Zie algemeen reglement 10:3.

Art. 19 BRANDSTOFSYSTEEM:

Het verplaatsen van de brandstof tank en de vulopening naar de kofferbak is toegestaan. Wanneer de tank of vul opening hiervan naar de kofferbak wordt verplaatst dan dient er een paneel te zijn aangebracht tussen de kofferbak en de rijders cabine van ten minste 0,8 mm Aluminium of ten minste 0,6 mm Staal. Tevens dient er een ontluchting van de tank of cel naar buiten de auto te lopen. Brandstof distributie onderdelen mogen niet op het schutbord worden gemonteerd. Tanks en brandstof cellen dienen verbonden te zijn met de massa van het voertuig.

Art. 20 ORDEREGELS:

Individuele protesten zijn uitsluitend schriftelijk in te dienen op een nog daartoe aangewezen plaats, binnen dertig minuten na de bekendmaking van de resultaten, onder betaling van (voor nationale evenementen) van
€ 115,-. Terugrijden naar het rennerskwartier dient met gematigde snelheid en voorzichtig te gebeuren. Bij onsportief gedrag (door de wedstrijdleiding te bepalen) zullen de punten en eventueel gewonnen prijsgelden niet worden uitgekeerd en kan mogelijk diskwalificatie volgen.

Art. 21 SLOTBEPALING:

Alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, zijn ter beoordeling van de sectie Autorensport van de KNAF en worden ter plaatse beoordeeld door de wedstrijdleiding


SUPER STREET

KLASSE TOEWIJZING:

S/ST, vooraf gegaan door het startnummer. Zie algemeen reglement 7:3.

Opgezet als een instap klasse en geschoeid naar het voorbeeld van de populaire Super Gas klasse echter met een index 10.90 sec. op 1/4 mile en 6.90 sec. op 1/8 mile, 0.5 sec. pro boom. Alleen auto’s met volledige spatborden, kap, grill, top, ruiten en werkende deuren en bumpers zijn toegestaan. Sportwagens, Roadsters, Vans en Pick-up trucks zijn toegestaan om deel te nemen. Wagens met open wielen zoals de Altereds, Dragsters, Funny Cars en motoren zijn niet toegestaan. Het minimum gewicht inclusief rijder: 8 cilinder auto, 1270 kg;
6 cilinder auto, 907 kg; 4 cilinder en wankel auto, 544 kg.

Tijd controle apparaten (tellers, tijdsdisplays etc.) zijn niet toegestaan behalve wanneer zij aan de gestelde eisen voldoen. Zie hiervoor de paragraaf “ Eisen en Specificaties”. Ook het gebruik van dataloggers is niet toegestaan.

Iedere auto die sneller rijdt dan 217 Km/h dient minimaal te voldoen aan de eisen en specificaties voor 9,99 sec. voertuigen.

EISEN EN SPECIFICATIES

ART. 1 MOTOR

SST 1.1 Motor:

Elke automotor is toegestaan. Compressor, turbo en lachgas zijn toegestaan, maar niet in combinatie. Gegoten harmonische balancers zijn verboden. Harmonische balancers dienen te voldoen aan SFI specificatie 18.1, of moeten vervaardigd zijn uit één stuk staal. Zie algemeen reglement 1:2.

SST 1.2 Uitlaatsysteem:

Maximaal twee uitlaatpijpen per auto, waarbij de uitlaatpijpen nadrukkelijk van rijder en brandstoftank gericht zijn. Zie algemeen reglement 1:3

SST 1.2.1 Geluidsniveau:

Het gebruik van geluidsdempers zal in de toekomst noodzakelijk worden. Het wordt aanbevolen om het geluidsniveau naar een maximum van 113 dB(A) te brengen.

SST 1.3 Brandstof:

Diesel, benzine, ethanol, methanol, CNG en propaan zijn toegestaan. Het gebruik van lachgas is toegestaan.
Zie algemeen reglement 1:6, 1:6:1, 1:8, 1:9 en 1:11.

SST 1.4 Brandstofsysteem:

Speciale brandstof tanks of cellen zijn toegestaan. Deze dienen zich echter buiten de rijders cabine te bevinden. Wanneer de tank of vul opening hiervan zich in de kofferbak bevindt dan dient er een paneel te zijn aangebracht tussen de kofferbak en de rijders cabine van ten minste 0,8 mm aluminium of staal, tevens dient er een ontluchting van de tank of cel naar buiten de auto te lopen. Brandstof distributie onderdelen mogen niet op het schutbord worden gemonteerd. Zie algemeen reglement 1:5 en 1:5:1.

SST 1.4.1 Inlaatsysteem:

Elk inlaatsysteem is toegestaan. Elektronische brandstof injectie dient een z.g. gesloten systeem te zijn waarbij er alleen gekeken wordt naar motor functies en niet naar wagen snelheid of wiel snelheid etc.

SST 1.5 Vloeistofoverlopen:

Een vloeistofoverloop is verplicht met een minimum inhoud van 0,5 liter. Zie algemeen reglement 1:7.

SST 1.6 Lachgas:

Uitsluitend commerciële lachgas en lachgassystemen zijn toegestaan. Lachgas is uitsluitend toegestaan in combinatie met benzine motoren, uitgezonderd de motoren die uitgerust zijn met een compressor of turbo.
Een NOS sticker moet duidelijk zichtbaar aangebracht worden op de plaats waar de fles zich bevindt.
Zie algemeen reglement 1:9 en 9:7.


SST 1.7 Supercharger en Turbocharger:

Turbo- en superchargers zijn alleen toegestaan als er benzine, diesel, ethanol of methanol als brandstof wordt gebruikt. Alle chargers mogen uitsluitend van het standaard Roots type zijn. Zie algemeen reglement 1:12, 1:13, 2:13 en 4:8.

SST 1.8 Gaspedaal:

Het bedienen van het gaspedaal moet met de voet gebeuren of via goedgekeurd handgas. Er mogen geen elektronische, pneumatische-, hydraulische, laser- of op elke andere manier bediende gaspedalen worden toegepast. Tijdgecontroleerde gas standen die voor de run zijn ingesteld zijn toegestaan. Zie algemeen reglement 1:14.

SST 1.9 Kleppendeksel:

Gegoten of nagemaakte metalen kleppendeksels zijn verplicht om alle verbindingen voor de boutgaten te gebruiken.

ART. 2 AANDRIJVING

SST 2.1 Koppeling, vliegwiel en -schild:

Het vliegwiel en de koppeling moeten voldoen aan SFI specificatie 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 (twee schijven maximaal). Het vliegwielschild moet voldoen aan SFI specificatie 6.2 of 6.3 voor alle voertuigen die gebruik maken van koppelingen die vallen onder SFI specificatie 1.3 en 1.4. Het vliegwielschild op alle andere auto’s moet voldoen aan de SFI specificatie 6.1. Auto´s met een wankelmotor moeten uitgerust zijn met een vliegwielschild, gemaakt uit staal met een minimum dikte van 6,35 mm, welke de bell housing 360 graden afschermt of een vliegwielschild heeft met een SFI specificatie 6.1, 6.2 of 6.3. Zie algemeen reglement 2:3, 2:5, 2:6 en 2:10.

SST 2.2 Cardan as:

Een cardanring (Drive Line Loop) is verplicht. Zie algemeen reglement 2:4.

SST 2.3 Achterkant:

Aftermarket as en as borging zijn verplicht. Auto’s zwaarder dan 907 kg met onafhankelijke achterwielvering moeten zijn voorzien van een conventioneel differentieel. Achterassen van toeleveringsbedrijven zijn toegestaan. Snel verwisselbare en te sperren differentiëlen zijn toegestaan, zie algemeen reglement 2:2 en 2:11.

SST 2.4 Versnellingsbak (Automaat):

Elke automaat moet voorzien zijn van een veerbelaste anti ­achteruitrij vergrendeling zodat de schakelpook niet bij vergissing in de achteruit kan worden gezet. Tevens dient er een vrijstand beveiliging te worden aangebracht zodat de startmotor alleen in de vrijstand kan draaien. Transbrakes zijn toegestaan. Aanbevolen wordt om de flexplate bij automatische versnellingsbakken te laten voldoen aan SFI specificatie 29.1. Zie algemeen reglement 2:14.

SST 2.5 Versnellingsbak bescherming (Automaat):

Aanbevolen wordt om de automatische versnellingsbak beschermingen te voldoen aan SFI specificatie 4.1. Zie algemeen reglement 2:14.

ART. 3 REMMEN EN VERING

SST 3.1 Remmen:

Alle vier wielen moeten voorzien zijn van hydraulische remmen. Zie algemeen reglement 3:1.

SST 3.2 Besturing:

Alle conventionele stuur systemen mogen worden gebruikt. De minimale stuur diameter is 279 mm.

Zie algemeen reglement 3:3 en 4:1.

SST 3.3 Ophanging:

Elke gewone auto voorwielophanging is toegestaan, die gebruikt wordt door een autofabrikant. Moet uitgevoerd zijn met een schokbreker op ieder wiel. Zie algemeen reglement 3:2, 3:4 en 3:5.

SST 3.4 Traction-bars:

Traction-bars zijn toegestaan. Zie algemeen reglement 3:5.

SST 3.5 Wheelie-bars:

Wheelie-bars zijn toegestaan. De wieltjes mogen niet van metaal zijn. Zie algemeen reglement 3:6.

ART. 4 FRAME

SST 4.1 Ballast:

Het is toegestaan om ballast te gebruiken. Zie algemeen reglement 4:2.

SST 4.2 Bumpers:

Bumpers zijn optioneel.

SST 4.3 Frame:

Zie algemeen reglement 4:4.

SST 4.4 Grondspeling:

Minimaal 76 mm aan de voorzijde van de auto tot 305 mm net achter de hartlijn van de vooras, 51 mm voor het resterende deel van de auto, behalve carterpan en uitlaatspruitstuk. Zie algemeen reglement 4:5.

SST 4.5 Parachute:

Het is toegestaan om een parachute te gebruiken. Zie algemeen reglement 4:8.

SST 4.6 Rolbeugel en Rolkooi:

Een rolbeugel (Roll Bar) of rolkooi (Roll Cage) is verplicht. Welke constructie gebruikt moet worden is afhankelijk wat voor soort auto gebruikt wordt. Zie algemeen reglement 4:4, 4:10, 4:10:1, 4:11, 4:11:1, 4:11:2, 10:6 en 10:7.

SST 4.7 Wielbasis:

De minimum wielbasis dient 2286 mm te zijn. De maximum wielbasis is 3048 mm, enkel anders indien het om een standaard auto gaat. Maximale wielbasis verschil van links en rechts bedraagt: 25 mm.

ART. 5 BANDEN EN VELGEN

SST 5.1 Banden:

Race slicks zijn toegestaan. Voor de voorbanden wordt verwezen naar algemeen reglement 5:1.

SST 5.2 Velgen:

Spaak- of motorvelgen zijn verboden. De minimum velggrootte is 13″. Indien de auto standaard van kleinere wielen is voorzien en nog met de originele motor is uitgevoerd, dan zijn deze kleinere wielen toegestaan. Zie algemeen reglement 5:2.

ART. 6 INTERIEUR

SST 6.1 Stoelen:

Goede verstevigde stoelen gemaakt van aluminium, glasfiber, dubbel laag glas of carbon vezels zijn toegestaan. Eén stoel is verplicht. Zie algemeen reglement 6:2.

SST 6.2 Plaatwerk:

Het rijders compartiment dient van aluminium of staal te zijn vervaardigd. Magnesium is niet toegestaan. Zie algemeen reglement 6:1.

SST 6.3 Covers:

Covers voor rijder compartiment en/of pick-up laadbak zijn toegestaan mits het de toegang en uitgang van de rijder niet belemmert.

SST 6.4 Binnenbekleding:

Binnenbekleding is toegestaan.

SST 6.5 Raamnet:

Een raamnet is verplicht bij dichte auto´s als een rolkooi vereist is volgens de reglementen. Zie algemeen reglement 6:3.

ART. 7 CARROSSERIE

SST 7.1 Carrosserie:

Coupe’s, sedans, busjes, pick-ups, sportwagens en trucks zijn toegestaan. Fiberglas body’s zijn toegestaan. Deurscharnieren van uitneembare deuren moeten geborgd zijn. Auto’s met een dak en raam moeten twee deuren hebben. Convertibles en auto’s met een verwijderbaar dak moeten zonder dak rijden. De daken mogen worden verlaagd. Auto’s zonder dak hoeven niet te zijn voorzien van werkende deuren. Body’s mogen worden ingekort of verlengd. Street Roadsters, sSportwagens en convertibles mogen het raam verwijderen. De body’s mogen achteruit worden gezet. De opening van de achter­spatborden mag niet doorlopen tot in de deur. Bij dichte auto’s mag de hood-scoop niet hoger zijn dan 279 mm gemeten vanaf de originele motorkap. Zie algemeen reglement 1:4 en 7:7.

SST 7.2 Spatborden:

Spatborden zijn verplicht. Lichtgewicht vervanging spatborden zijn toegestaan. Voorspatborden mogen worden verlengd als de wielbasis is verlengd. Achterspatborden mogen worden aangepast aan de grootte van de banden. Aangepaste spatborden dienen afgeronde randen te hebben of omgeslagen te worden. Bij Roadsters is het toegestaan om de achter spatborden te verhogen zoveel als de body afhelt op het frame. Inwendige voorspatborden zijn toegestaan.

SST 7.3 Schutbord:

Een schutbord is verplicht. Zie algemeen reglement 6:1 en 7:5.

SST 7.4 Vloer:

Een vloer is verplicht. Zie algemeen reglement 7:6.

SST 7.5 Straat Uitrusting:

Een werkend achterlicht is verplicht. Koplampen worden aangeraden. Koplampen kunnen verplicht worden gesteld afhankelijk van het racecircuit. Zie algemeen reglement 8:6.

SST 7.6 Spoilers/Vleugels:

Achterspoilers zijn toegestaan. Niet-standaard vleugels zijn niet toegestaan. Op het dak gemonteerde spoilers die niet-standaard zijn aangebracht, zijn niet toegestaan. Voorspoilers zijn toegestaan op Street Roadsters, deze mogen echter niet meer dan 762 mm voor de voorophanging zijn gemonteerd. Elke vorm van afstelling tijdens de run is verboden. Zie algemeen reglement 7:2.

SST 7.7 Dak:

Het dak van een auto, met een afneembaar dak, moet worden verwijderd. Cabrioletten mogen rijden met het dak naar beneden.

SST 7.8 Windscherm:

Een cabriolet en een roadster mogen het windscherm verwijderen. Op elk andere auto is deze windscherm verplicht. Auto’s zonder windscherm moeten zijn voorzien van een metalen of ander niet-brandbaar materiaal gemaakte beschermplaat. Het is niet toegestaan om Plexiglas te gebruiken in een windscherm. Zie algemeen reglement 7:8

SST 7.9 Voorruit, Ramen:

Auto’s met een dak en voorruit moeten zijn voorzien van alle ramen. Alle ramen moeten van helder of van de fabriek af getint veiligheidsglas of helder plexiglas of elk ander niet versplinterbaar materiaal met een minimale dikte van 3 mm zijn gemaakt. Originele veiligheidsglas is toegestaan. Identificatie stickers mogen op de achter zijruiten worden aangebracht. Zie algemeen reglement 7:9.

ART. 8 ELEKTRICITEIT

SST 8.1 Accu:

Alle accu’s moeten stevig gemonteerd worden met metalen strips buiten het bestuurders compartiment.
Zie algemeen reglement 8:1.

SST 8.2 Vertragingsunits:

Toegestaan, echter één vertragingsunit aangesloten op de rem, de versnellings­bak of het gaspedaal. Elke andere aansluiting is verboden. De vertragingsunit mag alleen de ingestelde vertraging laten zien op een analoog of digitaal display. Alle bekabeling moet duidelijk zichtbaar zijn voor de keurmeesters.
Zie algemeen reglement 8:2.

SST 8.3 Ontsteking:

Ontstekingsonderbrekers die op tijd werken (stutter boxes) zijn niet toegestaan. Start lijn en/of toerental begrenzers zijn toegestaan. 2-traps of ieder andere toerental begrenzer die tijdens de run zijn werk kan doen is niet toegestaan. Zie algemeen reglement 8:3 en 8:5.

SST 8.4 Hoofdschakelaar:

Hoofdschakelaars zijn verplicht op alle wagens. Zie algemeen reglement 8:4

ART. 9 EXTRA HULPMIDDLEN

SST 9.1 Computer, Datarecorder:

Computers zijn niet toegestaan. Datarecorders zijn toegestaan. Zie algemeen reglement 9:1 en 9:2.

SST 9.2 Sleepwagens:

Sleepwagens zijn niet toegestaan.

SST 9.3 Brandblus installatie:

Een brandblus installatie is toegestaan, maar moet bij installatie veilig worden geplaatst. Zie algemeen reglement 9:3.

SST 9.4 Warmdraaien:

Zie algemeen reglement 9:4 en 9:11.

ART. 10 RIJDER

SST 10.1 Armbescherming:

Armbescherming is verplicht in alle voertuigen zonder dak. Zie algemeen reglement 10:3.

SST 10.2 Papieren:

Een licentie om mee te doen aan drag racen is verplicht. Zie algemeen reglement 10:4.

SST 10.3 Bestuurdersplaats:

De bestuurdersstoel moet aan de linkerzijde of rechterzijde van de wagen zijn geplaatst op de originele locatie. De stoel mag naar achteren zijn geplaatst met een maximum van 254 mm vanaf de originele locatie, maar de rijder moet voor het differentieel blijven.

SST 10.4 Veiligheidsriemen:

Het is verplicht om minimaal een vier punts veiligheidsgordel te gebruiken voor een auto met een rol beugel. Veiligheidsriemen van 7,5 cm die voldoen aan SFI specificatie 16.1 of FIA goedgekeurd zijn, zijn verplicht in auto´s met een rol kooi. Zie algemeen reglement 10:5.

SST 10.5 Hoofdbescherming:

Het is verplicht om te zorgen voor een goede hoofdbescherming/steunen. Zie algemeen reglement 10:6.

SST 10.6 Helm:

Helm is voor iedere rijder verplicht. Zie algemeen reglement 10:7.

SST 10.7 Halskraag (Nekband):

Het dragen van een halskraag is verplicht. Zie algemeen reglement 10:8.

SST 10.8 Beschermende kleding:

Beschermende jas of overall is verplicht en moet voldoen aan SFI specificatie 3.2A/1 of 1986 FIA standaard. Bij een snelheid groter dan 217 Km/h is een jas en broek verplicht en dienen te voldoen aan SFI specificatie 3.2A/5.

Alle voertuigen met supercharger en turbocharger in auto’s met voorliggende motoren of alle open auto’s of elke auto met een automatische versnellingsbak in het bestuurderscompartiment zijn verplicht beschermende kleding, jas en broek of overall, te dragen die voldoet aan 3.2A/15, handschoenen met SFI specificatie 3.3/5 en laarzen of schoenen met SFI specificatie 3.3/5. Zie algemeen reglement 10:10.

Mededeling Organisatie:

Onderdelen met SFI specificatie moeten waar mogelijk de sticker zichtbaar zijn. Eventuele documenten met betrekking tot dit onderdeel bij het voertuig houden. Deze Super Street reglementen zijn afgeleid van het MSA reglementenboek 2003, en moet worden gezien als leidraad. Bij conflicten verwijzen wij naar de originele reglementen van de MSA.


SUPER GAS

KLASSE TOEWIJZING:

S/G, vooraf gegaan door het startnummer. Zie algemeen reglement 7:3.

Index voor de 1/4 mile is 9,90 sec. en voor de 1/8 mile index 6,30 sec, 0,4 sec. pro boom. Alleen auto’s met volledige spatborden, kap, grill, top, ruiten en werkende deuren en bumpers zijn toegestaan. De grill mag worden vervangen door een vlakke plaat. Auto’s voorzien van het stuur links zijn toegestaan. Wagens met open wielen zoals de Altereds, Dragsters, Funny Cars en motoren zijn niet toegestaan. Het minimum gewicht inclusief rijder: 8 cilinder auto, 952 kg; 6 cilinder auto, 748 kg; 4 cilinder en wankel auto, 544 kg.

Tijd controle apparaten (tellers, tijdsdisplays etc.) zijn niet toegestaan behalve wanneer zij aan de gestelde eisen voldoen. Zie hiervoor de paragraaf “ Eisen en Specificaties”. Ook het gebruik van dataloggers is niet toegestaan.

EISEN EN SPECIFICATIES

ART. 1 MOTOR

SG 1.1 Motor:

Elke automotor is toegestaan. Compressor, turbo en lachgas zijn toegestaan, maar niet in combinatie. Gegoten harmonische balancers zijn verboden. Harmonische balancers dienen te voldoen aan SFI specificatie 18.1, of moeten vervaardigd zijn uit één stuk staal. Zie algemeen reglement 1:2.

SG 1.2 Uitlaatsysteem:

Maximaal twee uitlaatpijpen per auto, waarbij de uitlaatpijpen nadrukkelijk van rijder en brandstoftank gericht zijn. Zie algemeen reglement 1:3.

SG 1.2.1 Geluidsniveau:

Het gebruik van geluidsdempers zal in de toekomst noodzakelijk worden. Het wordt aanbevolen om het geluidsniveau naar een maximum van 120 dB(A) te brengen.

SG 1.3 Brandstof:

Diesel, benzine, ethanol, methanol, CNG en propaan zijn toegestaan. Het gebruik van lachgas is toegestaan.
Zie algemeen reglement 1:6, 1:6:1, 1:8, 1:9 en 1:11.

SG 1.4 Brandstofsysteem:

Speciale brandstof tanks of cellen zijn toegestaan. Deze dienen zich echter buiten de rijders cabine te bevinden. Wanneer de tank of vul opening hiervan zich in de kofferbak bevindt dan dient er een paneel te zijn aangebracht tussen de kofferbak en de rijders cabine van ten minste 0,8 mm aluminium of staal, tevens dient er een ontluchting van de tank of cel naar buiten de auto te lopen. Brandstof distributie onderdelen mogen niet op het schutbord worden gemonteerd. Zie algemeen reglement 1:5 en 1:5:1.

SG 1:4:1 Inlaatsysteem:

Elk inlaatsysteem is toegestaan. Elektronische brandstof injectie dient een z.g. gesloten systeem te zijn waarbij er alleen gekeken wordt naar motor functies en niet naar wagen snelheid of wiel snelheid etc.

SG 1.5 Vloeistofoverlopen:

Een vloeistofoverloop is verplicht met een minimum inhoud van 0,5 liter. Zie algemeen reglement 1:7.

SG 1.6 Lachgas:

Uitsluitend commerciële lachgas en lachgassystemen zijn toegestaan. Lachgas is uitsluitend toegestaan in combinatie met benzine motoren, uitgezonderd de motoren die uitgerust zijn met een compressor of turbo.
Een NOS sticker moet duidelijk zichtbaar aangebracht worden op de plaats waar de fles zich bevindt.
Zie algemeen reglement 1:9 en 9:7.

SG 1.7 Supercharger en turbocharger:

Turbo- en superchargers zijn alleen toegestaan als er benzine, diesel, ethanol of methanol als brandstof wordt gebruikt. Alle chargers mogen uitsluitend van het standaard Roots type zijn. Zie algemeen reglement 1:12, 1:13, 2:13 en 4:8.

 

SG 1.8 Gaspedaal:

Het bedienen van het gaspedaal moet met de voet gebeuren of via goedgekeurd handgas. Er mogen geen elektronische, pneumatische-, hydraulische, laser- of op elke andere manier bediende gaspedalen worden toegepast. Tijdgecontroleerde gas standen die voor de run zijn ingesteld zijn toegestaan.
Zie algemeen reglement 1:14.

SG 1.9 Kleppendeksel:

Gegoten of nagemaakte metalen kleppendeksels zijn verplicht om alle verbindingen voor de boutgaten te gebruiken.

ART. 2 AANDRIJVING

SG 2.1 Koppeling, vliegwiel en vliegwielbeschermer:

Het vliegwiel en de koppeling moeten voldoen aan SFI specificatie 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 (twee schijven maximaal). Het vliegwielschild moet voldoen aan SFI specificatie 6.2 of 6.3 voor alle voertuigen die gebruik maken van koppelingen die vallen onder SFI specificatie 1.3 en 1.4. Het vliegwielschild op alle andere auto’s moet voldoen aan de SFI specificatie 6.1. Auto´s met een wankelmotor moeten uitgerust zijn met een vliegwielschild, gemaakt uit staal met een minimum dikte van 6,35 mm, welke de bell housing 360 graden afschermt of een vliegwielschild heeft met een SFI specificatie 6.1, 6.2 of 6.3. Zie algemeen reglement 2:3, 2:5, 2:6 en 2:10.

SG 2.2 Cardan as:

Een cardanring (Drive Line Loop) is verplicht. Zie algemeen reglement 2:4.

SG 2.3 Achterkant:

Aftermarket as en asborging zijn verplicht. Auto’s zwaarder dan 907 kg met onafhankelijke achterwielvering moeten zijn voorzien van een conventioneel differentieel. Achterassen van toeleveringsbedrijven zijn toegestaan. Snel verwisselbare en te sperren differentiëlen zijn toegestaan, zie algemeen reglement 2:2 en 2:11.

SG 2.4 Versnellingsbak (Automaat):

Elke automaat moet voorzien zijn van een veerbelaste anti achteruitrij vergrendeling zodat de schakelpook niet bij vergissing in de achteruit kan worden gezet. Tevens dient er een vrijstand beveiliging te worden aangebracht zodat de startmotor alleen in de vrijstand kan draaien. Transbrakes zijn toegestaan. Aanbevolen wordt om de flexplate bij automatische versnellingsbakken te laten voldoen aan SFI specificatie 29.1. Zie algemeen reglement 2:14.

SG 2.5 Versnellingsbak bescherming (Automaat):

Aanbevolen wordt om de automatische versnellingsbak beschermingen te voldoen aan SFI specificatie 4.1 en Flexplate Shield volgens SFI 30.1. Zie algemeen reglement 2:14.

ART. 3 REMMEN EN VERING

SG 3.1 Remmen:

De achterwielen moeten zijn voorzien van hydraulische remmen. Aanbevolen wordt om alle vier de wielen te voorzien van hydraulische remmen. Zie algemeen reglement 3:1.

SG 3.2 Besturing:

Alle conventionele stuur systemen mogen worden gebruikt. De minimale stuur diameter is 280 mm. Butterfly type-stuurwielen zijn verboden. Zie algemeen reglement 3:3 en 4:1.

SG 3.3 Ophanging:

Elke gewone auto voorwielophanging is toegestaan, die gebruikt wordt door een autofabrikant. Stijf gemonteerde voor assen zijn toegestaan als de wielbasis 3048 mm is of meer. Stijf gemonteerde achter assen zijn toegestaan. Schokbrekers zijn optioneel. Achter ophanging is optioneel, met de verplichting achter vering aan de achterkant te monteren. Zie algemeen reglement 3:2, 3:4 en 3:5.

SG 3.4 Traction-bars:

Traction-bars zijn toegestaan. Zie algemeen reglement 3:5.

SG 3.5 Wheelie-bars

Wheelie-bars zijn toegestaan. De wieltjes mogen niet van metaal zijn. Zie algemeen reglement 3:6.

 

ART. 4 FRAME

SG 4.1 Ballast:

Het is toegestaan om ballast te gebruiken. Zie algemeen reglement 4:2.

SG 4.2 Bumpers:

Bumpers zijn optioneel.

SG 4.3 Frame:

Zie algemeen reglement 4:4.

SG 4.4 Grondspelling:

Minimaal 76 mm aan de voorzijde van de auto tot 305 mm net achter de hartlijn van de vooras, 51 mm voor het resterende deel van de auto, behalve carterpan en uitlaatspruitstuk. Zie algemeen reglement 4:5.

SG 4.5 Remparachute:

Remparachute is verplicht voor voertuigen die sneller gaan dan 240 km/h. Aanbevolen voor alle andere voertuigen. Zie algemeen reglement 4:8.

SG 4.6 Rolkooi:

Een rolkooi (Roll Cage) is verplicht. Welke constructie gebruikt moet worden is afhankelijk wat voor soort auto gebruikt wordt. De chassis dienen elke 3 jaar te worden gecontroleerd. Zie algemeen reglement 4:4, 4:11, 4:11:1, 4:11:2, 10:6 en 10:7.

SG 4.7 Wielbasis:

De minimum wielbasis dient 2286 mm te zijn. De maximum wielbasis is 3048 mm, enkel anders indien het om een standaard auto gaat. Maximale wielbasis verschil van links en rechts bedraagt: 25 mm.

ART. 5 BANDEN EN VELGEN

SG 5.1 Banden:

Race slicks zijn toegestaan. Voor de voorbanden wordt verwezen naar algemeen reglement 5:1.

SG 5.2 Velgen:

Spaak- of motorvelgen zijn verboden. De minimum velg grootte is 13″. Indien de auto standaard van kleinere wielen is voorzien en nog met de originele motor is uitgevoerd, dan zijn deze kleinere wielen toegestaan. Zie algemeen reglement 5:2.

ART. 6 INTERIEUR

SG 6.1 Stoelen:

Goede verstevigde stoelen gemaakt van aluminium, glasfiber, dubbel laag glas of carbon vezels zijn toegestaan. 1 stoel is verplicht. Zie algemeen reglement 6:2.

SG 6.2 Plaatwerk:

Het rijdercompartiment dient van aluminium of staal te zijn vervaardigd. Magnesium is niet toegestaan. Zie algemeen reglement 6:1.

SG 6.3 Covers:

Covers voor rijder compartiment en/of pick-up laadbak zijn toegestaan mits het de toegang en uitgang van de rijder niet belemmert.

SG 6.4 Binnenbekleding:

Binnenbekleding is toegestaan.

SG 6.5 Raamnet:

Een raamnet is verplicht. Zie algemeen reglement 6:3.

ART. 7 CARROSSERIE

SG 7.1 Carrosserie:

Coupe’s, sedans, busjes, pick-ups, sportwagens en trucks zijn toegestaan. Fiberglas body’s zijn toegestaan. Deurscharnieren van uitneembare deuren moeten geborgd zijn. Auto’s met een dak en raam moeten twee deuren hebben. Convertibles en auto’s met een verwijderbaar dak moeten zonder dak rijden. De daken mogen worden verlaagd. Auto’s zonder dak hoeven niet te zijn voorzien van werkende deuren. Body’s mogen worden ingekort of verlengd. Street Roadsters, sportwagens en convertibles mogen het raam verwijderen. De body’s mogen achteruit worden gezet. De opening van de achter­spatborden mag niet doorlopen tot in de deur. Bij dichte auto’s mag de hood-scoop niet hoger zijn dan 279 mm gemeten vanaf de originele motorkap. Zie algemeen reglement 1:4 en 7:7.

SG 7.2 Spatborden:

Spatborden zijn verplicht. Lichtgewicht vervanging spatborden zijn toegestaan. Voorspatborden mogen worden verlengd als de wielbasis is verlengd. Achterspatborden mogen worden aangepast aan de grootte van de banden. Aangepaste spatborden dienen afgeronde randen te hebben of omgeslagen te worden. Bij Roadsters is het toegestaan om de achter spatborden te verhogen zoveel als de body afhelt op het frame. Inwendige voorspatborden zijn toegestaan.

SG 7.3 Schutbord:

Een schutbord is verplicht. Zie algemeen reglement 6:1 en 7:5.

SG 7.4 Vloer:

Een vloer is verplicht. Zie algemeen reglement 7:6.

SG 7.5 Straat Uitrusting:

Een werkend achterlicht is verplicht. Koplampen worden aangeraden. Koplampen kunnen verplicht worden gesteld afhankelijk van het racecircuit. Zie algemeen reglement 8:6.

SG 7.6 Spoilers/Vleugels:

Achterspoilers zijn toegestaan. Niet-standaard vleugels zijn niet toegestaan. Op het dak gemonteerde spoilers die niet-standaard zijn aangebracht, zijn niet toegestaan. Voorspoilers zijn toegestaan op Street Roadsters, deze mogen echter niet meer dan 762 mm voor de voorophanging zijn gemonteerd. Elke vorm van afstelling tijdens de run is verboden. Zie algemeen reglement 7:2.

SG 7.7 Dak:

Het dak van een auto, met een afneembaar dak, moet worden verwijderd. Cabrioletten mogen rijden met het dak naar beneden.

SG 7.8 Windscherm:

Een cabriolet en een roadster mogen het windscherm verwijderen. Op elk andere auto is deze windscherm verplicht. Auto’s zonder windscherm moeten zijn voorzien van een metalen of ander niet-brandbaar materiaal gemaakte beschermplaat. Het is niet toegestaan om Plexiglas te gebruiken in een windscherm. Zie algemeen reglement 7:8

SG 7.9 Voorruit, Ramen:

Auto’s met een dak en voorruit moeten zijn voorzien van alle ramen. Alle ramen moeten van helder of van de fabriek af getint veiligheidsglas of helder plexiglas of elk ander niet versplinterbaar materiaal met een minimale dikte van 3 mm zijn gemaakt. Originele veiligheidsglas is toegestaan. Identificatie stickers mogen op de achter zijruiten worden aangebracht. Zie algemeen reglement 7:9.

ART. 8 ELEKTRICITEIT

SG 8.1 Accu:

Alle accu’s moeten stevig gemonteerd worden met metalen strips buiten het bestuurderscompartiment. Zie algemeen reglement 8:1.

SG 8.2 Vertragingsunits:

Toegestaan, echter 1 vertragingsunit aangesloten op de rem, de versnellings­bak of het gaspedaal. Elke andere aansluiting is verboden. De vertragingsunit mag alleen de ingestelde vertraging laten zien op een analoog of digitaal display. Alle bekabeling moet duidelijk zichtbaar zijn voor de keurmeesters.
Zie algemeen reglement 8:2.

SG 8.3 Ontsteking:

Ontstekingsonderbrekers die op tijd werken (stutter boxes) zijn niet toegestaan. Start lijn en/of toerental begrenzers zijn toegestaan. 2-traps of ieder andere toerental begrenzer die tijdens de run zijn werk kan doen is niet toegestaan. Zie algemeen reglement 8:3 en 8:5.

SG 8.4 Hoofdschakelaar:

Hoofdschakelaars zijn verplicht op alle wagens. Zie algemeen reglement 8:4.

ART. 9 EXTRA HULPMIDDELEN

SG 9.1 Computer, Datarecorder:

Computers zijn niet toegestaan. Datarecorders zijn toegestaan. Zie algemeen reglement 9:1 en 9:2.

SG 9.2 Sleepwagens:

Sleepwagens zijn niet toegestaan.

SG 9.3 Brandblus installatie:

Een brandblus installatie is toegestaan, maar moet bij installatie veilig worden geplaatst.
Zie algemeen reglement 9:3.

SG 9.4 Warmdraaien:

Zie algemeen reglement 9:4 en 9:11.

ART. 10 RIJDER

SG 10.1 Armbescherming:

Armbescherming is verplicht in alle voertuigen zonder dak. Zie algemeen reglement 10:3.

SG 10.2 Papieren:

Een licentie om mee te doen aan drag racen is verplicht. Zie algemeen reglement 10:4.

SG 10.3 Bestuurdersplaats:

De bestuurdersstoel moet aan de linkerzijde of rechterzijde van de wagen zijn geplaatst op de originele locatie. De stoel mag naar achteren zijn geplaatst met een maximum van 254 mm vanaf de originele locatie, maar de rijder moet voor het differentieel blijven.

SG 10.4 Veiligheidsriemen:

Het is verplicht om minimaal een vijf punts veiligheidsgordel van 7,5 cm breedte, die voldoet aan SFI specificatie 16.1 of FIA goedgekeurd, te gebruiken. Kruisband verplicht. Zie algemeen reglement 10:5.

SG 10.5 Hoofdbescherming:

Het is verplicht om te zorgen voor een goede hoofdbescherming/steunen. Zie algemeen reglement 10:6.

SG 10.6 Helm:

Helm is voor iedere rijder verplicht. Zie algemeen reglement 10:7.

SG 10.7 Halskraag (Nekband):

Het dragen van een halskraag is verplicht. Zie algemeen reglement 10:8.

SG 10.8 Beschermende kleding:

Beschermende jas en broek of overall is verplicht en moet voldoen aan SFI specificatie 3.2A/5 of 1986 FIA standaard.

Alle voertuigen met supercharger en turbocharger in auto’s met voorliggende motoren of alle open auto’s of elke auto met een automatische versnellingsbak in het bestuurderscompartiment zijn verplicht beschermende kleding, jas en broek of overall, te dragen die voldoet aan 3.2A/15, handschoenen met SFI specificatie 3.3/5 en laarzen of schoenen met SFI specificatie 3.3/5. Zie algemeen reglement 10:10.

Mededeling Organisatie:

Onderdelen met SFI specificatie moeten waar mogelijk de sticker zichtbaar zijn. Eventuele documenten met betrekking tot dit onderdeel bij het voertuig houden. Deze Super Gas reglementen zijn afgeleid van het MSA reglementenboek 2003, en moet worden gezien als leidraad. Bij conflicten verwijzen wij naar de originele reglementen van de MSA.


SUPER COMP

KLASSE TOEWIJZING:

S/C, vooraf gegaan door het startnummer. Zie algemeen reglement 7:3.

Index voor de 1/4 mile is 8,90 sec. en voor de 1/8 mile index 5,70 sec, gebruik makend van een 0,4 pro boom. Alleen voor Dragsters, Altereds Type 1 en Type 2, Roadsters, Funny Cars en Pro Stock type auto’s en Pro Mod type auto´s. Motoren zijn niet toegestaan. Het minimum gewicht inclusief rijder: 608 kg; uitgezonderd 4- en 6 cilinder auto’s, 450 kg.

Tijd controle apparaten (tellers, tijdsdisplays etc.) zijn niet toegestaan behalve wanneer zij aan de gestelde eisen voldoen. Zie hiervoor de paragraaf “ Eisen en Specificaties”. Ook het gebruik van dataloggers is niet toegestaan.

EISEN EN SPECIFICATIES

ART. 1 MOTOR

SC 1.1 Motor:

Elke automotor is toegestaan. Compressor, turbo en lachgas zijn toegestaan, maar niet in combinatie. Gegoten harmonische balancers zijn verboden. Harmonische balancers dienen te voldoen aan SFI specificatie 18.1, of moeten vervaardigd zijn uit één stuk staal. Zie algemeen reglement 1:2.

SC 1.2 Uitlaatsysteem:

Maximaal twee uitlaatpijpen per auto, waarbij de uitlaatpijpen nadrukkelijk van rijder en brandstoftank gericht zijn. Zie algemeen reglement 1:3.

SC 1.2.1 Geluidsniveau:

Het gebruik van geluidsdempers zal in de toekomst noodzakelijk worden. Het wordt aanbevolen om het geluidsniveau naar een maximum van 120 dB(A) te brengen.

SC 1.3 Brandstof:

Diesel, benzine, ethanol, methanol, CNG en propaan zijn toegestaan. Het gebruik van lachgas is toegestaan.
Zie algemeen reglement 1:6, 1:6:1, 1:8, 1:9 en 1:11.

SC 1.4 Brandstofsysteem:

Speciale brandstof tanks of cellen zijn toegestaan. Deze dienen zich echter buiten de rijders cabine te bevinden. Wanneer de tank of vul opening hiervan zich in de kofferbak bevindt dan dient er een paneel te zijn aangebracht tussen de kofferbak en de rijders cabine van ten minste 0,8 mm aluminium of staal, tevens dient er een ontluchting van de tank of cel naar buiten de auto te lopen. Brandstof distributie onderdelen mogen niet op het schutbord worden gemonteerd. Zie algemeen reglement 1:5 en 1:5:1.

SC 1:4:1 Inlaatsysteem:

Elk inlaatsysteem is toegestaan. Elektronische brandstof injectie dient een z.g. gesloten systeem te zijn waarbij er alleen gekeken wordt naar motor functies en niet naar wagen snelheid of wiel snelheid etc.

SC 1.5 Vloeistofoverlopen:

Een vloeistofoverloop is verplicht met een minimum inhoud van 0,5 liter. Zie algemeen reglement 1:7.

SC 1.6 Lachgas:

Uitsluitend commerciële lachgas en lachgassystemen zijn toegestaan. Lachgas is uitsluitend toegestaan in combinatie met benzine motoren, uitgezonderd de motoren die uitgerust zijn met een compressor of turbo.
Een NOS sticker moet duidelijk zichtbaar aangebracht worden op de plaats waar de fles zich bevindt.
Zie algemeen reglement 1:9 en 9:7.

SC 1.7 Supercharger en turbocharger:

Turbo- en superchargers zijn alleen toegestaan als er benzine, diesel, ethanol of methanol als brandstof wordt gebruikt. Alle chargers mogen uitsluitend van het standaard Roots type zijn. Zie algemeen reglement 1:12, 1:13, 2:13 en 4:8.

 

SC 1.8 Gaspedaal:

Het bedienen van het gaspedaal moet met de voet gebeuren of via goedgekeurd handgas. Er mogen geen elektronische, pneumatische-, hydraulische, laser- of op elke andere manier bediende gaspedalen worden toegepast. Tijdgecontroleerde gas standen die voor de run zijn ingesteld zijn toegestaan.
Zie algemeen reglement 1:14.

SC 1.9 Kleppendeksel:

Gegoten of nagemaakte metalen kleppendeksels zijn verplicht om alle verbindingen voor de boutgaten te gebruiken.

ART. 2 AANDRIJVING

SC 2.1 Koppeling, vliegwiel en vliegwielbeschermer:

Het vliegwiel en de koppeling moeten voldoen aan SFI specificatie 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 (twee schijven maximaal). Het vliegwielschild moet voldoen aan SFI specificatie 6.2 of 6.3 voor alle voertuigen die gebruik maken van koppelingen die vallen onder SFI specificatie 1.3 en 1.4. Het vliegwielschild op alle andere auto’s moet voldoen aan de SFI specificatie 6.1. Auto´s met een wankelmotor moeten uitgerust zijn met een vliegwielschild, gemaakt uit staal met een minimum dikte van 6,35 mm, welke de bell housing 360 graden afschermt of een vliegwielschild heeft met een SFI specificatie 6.1, 6.2 of 6.3. Zie algemeen reglement 2:3, 2:5, 2:6 en 2:10.

SC 2.2 Cardan as:

Een cardanring (Drive Line Loop) is verplicht. Zie algemeen reglement 2:4.

SC 2.3 Achterkant:

Aftermarket as en asborging zijn verplicht. Auto’s zwaarder dan 907 kg met onafhankelijke achterwielvering moeten zijn voorzien van een conventioneel differentieel. Achterassen van toeleveringsbedrijven zijn toegestaan. Snel verwisselbare en te sperren differentiëlen zijn toegestaan, zie algemeen reglement 2:2 en 2:11.

SC 2.4 Versnellingsbak (niet bedrijfsmatig):

Een versnellingsbak deken is verplicht en moet voldoen aan SFI specificatie 4.1 als de motor wordt aangedreven door een compressor of turbo of lachgas wordt toegepast. Zie algemeen reglement 2:13.

SC 2.5 Versnellingsbak (Automaat):

Elke automaat moet voorzien zijn van een veerbelaste anti achteruitrij vergrendeling zodat de schakelpook niet bij vergissing in de achteruit kan worden gezet. Tevens dient er een vrijstand beveiliging te worden aangebracht zodat de startmotor alleen in de vrijstand kan draaien. Transbrakes zijn toegestaan. De flexplate bij automatische versnellingsbakken moet voldoen aan SFI specificatie 29.1. Zie algemeen reglement 2:14.

SC 2.6 Versnellingsbak bescherming (Automaat):

De automatische versnellingsbak beschermingen moeten voldoen aan SFI specificatie 4.1 en de Flexplate Shield moet voldoen aan SFI specificatie 30.1. Zie algemeen reglement 2:14.

ART. 3 REMMEN EN VERING

SC 3.1 Remmen:

Beide achterwielen moeten zijn voorzien van hydraulische remmen. Aanbevolen wordt om alle vier de wielen te voorzien van hydraulische remmen. Remmen op alle vier de wielen is verplicht bij auto´s met een achterwiel ophanging. Wanneer een handrem wordt gebruikt moet deze gesitueerd zijn binnen de body van de auto of in rijders compartiment. Zie algemeen reglement 3:1.

SC 3.2 Besturing:

Zie algemeen reglement 3:3 en 4:1.

SC 3.3 Ophanging:

Elke gewone auto ophanging is toegestaan. Stijf gemonteerde vóór assen zijn toegestaan als de wielbasis 3048 mm is of meer. Stijf gemonteerde achter assen zijn toegestaan. Elke vóór ophanging die gebruik maakt van een balk of buisvormig type as moet voorzien zijn van reactie stangen bevestigd aan het chassis. Reactie stangen zijn niet vereist op voor assen die 457 mm of minder van de voorste fusee pen as stijf zijn gemonteerd.

Zie algemeen reglement 3:2, 3:4 en 3:5.

SC 3.4 Traction-bars:

Traction-bars zijn toegestaan. Zie algemeen reglement 3:5.

SC 3.5 Wheelie-bars

Wheelie-bars zijn toegestaan. De wieltjes mogen niet van metaal zijn. Zie algemeen reglement 3:6.

 

ART. 4 FRAME

SC 4.1 Ballast:

Het is toegestaan om ballast te gebruiken. Zie algemeen reglement 4:2.

SC 4.2 Beschermplaat:

Een beschermplaat moet zijn aangebracht tussen rolkooi en motor op alle auto’s met de motor aan de achterzijde, om de rijder en de brandstoftank te beschermen. Minimale dikte is 3 mm T6 aluminium of 1,5 mm staal. Zie algemeen reglement 1:1 en 4:3.

SC 4.3 Grondspelling:

Minimaal 76 mm aan de voorzijde van de auto tot 305 mm net achter de hartlijn van de vooras, 51 mm voor het resterende deel van de auto, behalve carterpan en uitlaatspruitstuk. Zie algemeen reglement 4:5.

SC 4.4 Remparachute:

Remparachute is verplicht voor alle voertuigen. Zie algemeen reglement 4:8.

SC 4.5 Pinion ondersteuning:

Verplicht op alle auto´s met de motor voorin. Zie algemeen reglement 4:9.

SC 4.6 Rolkooi:

Rolkooi is verplicht. Welke constructie gebruikt moet worden is afhankelijk wat voor soort auto gebruikt word. De chassis dienen elke 3 jaar te worden gecontroleerd. Zie algemeen reglement 4:4, 4:11, 4:11:1, 4:11:2, 10:6 en 10:7.

SC 4.7 Wielbasis & spoorbreedte:

De minimum wielbasis dient 2286 mm te zijn. Maximale wielbasis verschil van links en rechts bedraagt: 51 mm.

Minimale vóór spoorbreedte op elke Dragster moet zijn 660 mm.

ART. 5 BANDEN EN VELGEN

SC 5.1 Banden:

Race slicks zijn toegestaan. Minimale diameter vóórbanden bedraagt 13 inch op elke Dragster.

Voor de vóórbanden wordt verwezen naar algemeen reglement 5:1.

SC 5.2 Velgen:

Spaakvelgen zijn toegestaan aan de voorzijde van Dragsters, mits het totaal gewicht van de auto niet hoger is dan 817 kg, zonder de rijder. Zie algemeen reglement 5:2.

ART. 6 INTERIEUR

SC 6.1 Stoelen:

Goede verstevigde stoelen gemaakt van aluminium, glasfiber, dubbel laag glas of carbon vezels zijn toegestaan. 1 stoel is verplicht. Zie algemeen reglement 6:2.

SC 6.2 Plaatwerk:

Het rijdercompartiment dient van aluminium of staal te zijn vervaardigd. Magnesium is niet toegestaan. Zie algemeen reglement 6:1.

SC 6.3 Covers:

Covers voor rijder compartiment en/of pick-up laadbak zijn toegestaan mits het de toegang en uitgang van de rijder niet belemmert.

SC 6.4 Binnenbekleding:

Binnenbekleding is toegestaan.

SC 6.5 Raamnet:

Een raamnet is verplicht. Zie algemeen reglement 6:3.

ART. 7 CARROSSERIE

SC 7.1 Spoilers en vleugels:

Spoilers en vleugels zijn toegestaan. Niet standaard- of zelfgemaakte voorspoilers mogen niet meer dan 762 mm voor de voorophanging zijn gemonteerd. Op Funny Car type auto´s en volledig dichte auto´s mag de body of iets dergelijks anders niet meer dan 1016 mm voor de voorophanging zijn gemonteerd. Zie algemeen reglement 7:2.

SC 7.2 Carrosserie:

Carrosserie moet van ijzer, fiberglas of koolstof zijn en moet verbonden zijn met het schutbord. Rijders compartiment, frame structuur, rolkooi en carrosserie moet zodanig ontworpen zijn om te voorkomen dat lichaamsdelen van de rijder geen contact kunnen maken met wielen, banden, uitlaat systeem of het wegdek. Wanneer het lichaam van de rijder in contact komt met de voertuigbodem, dan moet er een dwarsbalk met een extra bodemplaat zijn aangebracht. Bij dichte auto’s mag de hood-scoop niet hoger zijn dan 279 mm gemeten vanaf de originele motorkap. Bij open auto’s, auto’s met de motor voorin, mag de hood-scoop niet hoger zijn dan 279 mm dan de bovenkant van de carburateur. Zie algemeen reglement 1:4 en 7:7.

SC 7.3 Schutbord:

Een schutbord is verplicht. Zie algemeen reglement 6:1 en 7:5.

SC 7.4 Vloer:

Een vloer is verplicht. Zie algemeen reglement 7:6.

SC 7.5 Windscherm:

Auto’s zonder windscherm moeten zijn voorzien van een metalen of ander niet-brandbaar materiaal gemaakte beschermplaat. Het is niet toegestaan om Plexiglas te gebruiken in een windscherm. Zie algemeen reglement 7:8

SC 7.6 Voorruit, Ramen:

Auto’s met een dak en voorruit moeten zijn voorzien van alle ramen. Alle ramen moeten van helder of van de fabriek af getint veiligheidsglas of helder plexiglas of elk ander niet versplinterbaar materiaal met een minimale dikte van 3 mm zijn gemaakt. Originele veiligheidsglas is toegestaan. Identificatie stickers mogen op de achter zijruiten worden aangebracht. Zie algemeen reglement 7:9.

ART. 8 ELEKTRICITEIT

SC 8.1 Accu:

Alle accu’s moeten stevig gemonteerd worden met metalen strips buiten het bestuurderscompartiment. Zie algemeen reglement 8:1.

SC 8.2 Vertragingsunits:

Toegestaan, echter 1 vertragingsunit aangesloten op de rem, de versnellings­bak of het gaspedaal. Elke andere aansluiting is verboden. De vertragingsunit mag alleen de ingestelde vertraging laten zien op een analoog of digitaal display. Alle bekabeling moet duidelijk zichtbaar zijn voor de keurmeesters.
Zie algemeen reglement 8:2.

SC 8.3 Ontsteking:

Ontstekingsonderbrekers die op tijd werken (stutter boxes) zijn niet toegestaan. Start lijn en/of toerental begrenzers zijn toegestaan. 2-traps of ieder andere toerental begrenzer die tijdens de run zijn werk kan doen is niet toegestaan. Zie algemeen reglement 8:3 en 8:5.

SC 8.4 Hoofdschakelaar:

Hoofdschakelaars zijn verplicht op alle wagens. Zie algemeen reglement 8:4.

SC 8.5 Achterverlichting:

Alle auto´s moeten voorzien zijn van 1 werkend achterlicht voor nachtelijk gebruik. Zie algemeen reglement 8:6.

ART. 9 EXTRA HULPMIDDELEN

SC 9.1 Computer, Datarecorder:

Computers zijn niet toegestaan. Datarecorders zijn toegestaan. Zie algemeen reglement 9:1 en 9:2.

SC 9.2 Brandblus installatie:

Een brandblus installatie is toegestaan, maar moet bij installatie veilig worden geplaatst.
Zie algemeen reglement 9:3.

SC 9.3 Aanduwen (Push Start):

Zie algemeen reglement 9:8.

SC 9.4 Sleepwagens:

Sleepwagens zijn toegestaan.

SC 9.5 Warmdraaien:

Zie algemeen reglement 9:4 en 9:11.

ART. 10 RIJDER

SC 10.1 Armbescherming:

Armbescherming is verplicht in alle voertuigen zonder dak. Zie algemeen reglement 10:3.

SC 10.2 Papieren:

Een licentie om mee te doen aan drag racen is verplicht. Zie algemeen reglement 10:4.

SC 10.3 Veiligheidsriemen:

Het is verplicht om minimaal een vijf punts veiligheidsgordel van 7,5 cm breedte, die voldoet aan SFI specificatie 16.1 of FIA goedgekeurd, te gebruiken. Kruisband verplicht. Zie algemeen reglement 10:5.

SC 10.4 Hoofdbescherming:

Het is verplicht om te zorgen voor een goede hoofdbescherming/steunen. Zie algemeen reglement 10:6.

SC 10.5 Helm:

Helm is voor iedere rijder verplicht. Zie algemeen reglement 10:7.

SC 10.6 Halskraag (Nekband):

Het dragen van een halskraag is verplicht. Zie algemeen reglement 10:8.

SC 10.7 Beschermende kleding:

Beschermende jas en broek of overall is verplicht en moet voldoen aan SFI specificatie 3.2A/5 of 1986 FIA standaard. Handschoenen en schoenen dienen te voldoen aan SFI specificatie 3.3/1.

Alle voertuigen met supercharger en turbocharger in auto’s met voorliggende motoren en alle open auto’s of elke auto met een automatische versnellingsbak in het bestuurderscompartiment zijn verplicht beschermende kleding, jas en broek of overall, te dragen die voldoet aan 3.2A/15, handschoenen met SFI specificatie 3.3/5 en laarzen of schoenen met SFI specificatie 3.3/5. Zie algemeen reglement 10:10.

Dichte voertuigen waarbij de standaard of stalen schutbord niet aanwezig is en waar gebruik wordt gemaakt van lachgas zijn verplicht beschermende kleding, jas en broek of overall, te dragen die voldoet aan 3.2A/15, handschoenen met SFI specificatie 3.3/5 en laarzen of schoenen met SFI specificatie 3.3/5.

Mededeling Organisatie:

Onderdelen met SFI specificatie moeten waar mogelijk de sticker zichtbaar zijn. Eventuele documenten met betrekking tot dit onderdeel bij het voertuig houden. Deze Super Comp reglementen zijn afgeleid van het MSA reglementenboek 2003, en moet worden gezien als leidraad. Bij conflicten verwijzen wij naar de originele reglementen van de MSA.


COMPETITION ELIMINATOR

Competition Eliminator category is for qualified cars in A/D, B/D, C/D, D/D, E/D, F/D, DT/D, ET/D, FT/D, AA/D, AB/D, BA/D, BB/D, CA/D, CB/D, DA/D, DB/D, EA/D, EB/D, FA/D, FB/D and BN/D Dragster; A/A, B/A, C/A, D/A, E/A, F/A, G/A, H/A, I/A, AT/A, BT/A, CT/A, DT/A, AA/A, AB/A, BA/A, BB/A, CA/A, CB/A, DA/A, DB/A, AN/A, BN/A and CN/A Altered (47 Classes).
Eliminations are based on a handicap start utilising class index system, breakout does not apply.

DRAGSTERS

 

Designation:

A/D, B/D, C/D, D/D, E/D, F/D, DT/D, ET/D, FT/D, AA/D, AB/D, BA/D, BB/D, CA/D, CB/D, DA/D, DB/D, EA/D, EB/D, FA/D, FB/D and BN/D preceded by car number. For starting numbers: Zie algemeen reglement 7:3

22 classes for Dragsters built for competition only. Class is decided from the car weight incl. Driver divided with the size of the engine.

Class Kg/litre Min.Weight (kg Note
A/D 94 – 110 612  
B/D 111 – 124 612  
C/D 125 – 137 612  
D/D 138 – 193 1), 2), 3)  
E/D 194 – 231 386 MAX. 4-CYL.
E/D ALT 219 – 231 386 MAX. 4-CYL, FOUR VALVE
F/D 232 - 386 MAX. 2,54 LITRE
DT/D 255 – 358 1), 2), 3) ONLY TURBOCHARGED
ET/D 359 – 428 2), 3) ONLY TURBOCHARGED MAX. 6-CYL.
FT/D 429 - 386 ONLY TURBOCHARGED MAX. 4-CYL.
AA/D 150 – 177 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
AB/D 150 – 177 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
BA/D 178 – 199 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
BB/D 178 – 199 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
CA/D 200 – 220 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
CB/D 200 – 220 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
DA/D 200 – 220 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
DB/D 221 – 309 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
EA/D 200 – 220 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
EB/D 310 – 370 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
FA/D 200 – 220 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
FB/D 371 - 1), 2), 3) ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
BN/D 160 - 612 ONLY NITROUS OXIDE

Minimum Weight:

• 612 kg ( 1349 lbs.), Cars with V8

• 454 kg ( 1000 lbs.), Cars with maximum 6 cylinders

• 386 kg ( 850 lbs.), Cars with maximum 4 cylinders

Maximum Weight: 1100 kg. (2425 lbs.)

REQUIREMENTS AND SPECIFICATIONS

ART. 1 ENGINE

D 1.1 Engine:

Any automotive engine permitted, maximum one engine. Supercharger, turbocharger and nitrous oxide prohibited, except for where the class definition permits, but never as a combination.

Cast harmonic balancer prohibited. Harmonic balancer meeting SFI spec 18.1, or steel billet harmonic balancer made in one-piece mandatory. Zie algemeen reglement 1:2.

D 1.2 Exhaust System:

Competition exhaust systems permitted. Exhaust must be directed out of body to rear, away from driver and fuel tank. Zie algemeen reglement 1:3.

 

D 1.3 Fuel:

Only Gasoline, petrol and methanol permitted. Nitrous oxide prohibited except in BN/D Dragster.

Propylene oxide prohibited. Zie algemeen reglement 1:6, 1:6:1, 1:8, 1:9 en 1:11.

D 1.4 Fuel System:

Electronic fuel injection system of O.E.M. type produced by car manufacture for original use permitted. Fuel injection is only allowed to monitor information from engine. Fuel lines must be isolated from driver’s compartment. Artificial cooling or heating of fuel prohibited. Circulating pumps and/or systems is prohibited if it isn’t part of O.E.M. fuel system. Zie algemeen reglement 1:5 en 1.5.1.

D 1.4.1 Induction: Any induction system permitted. Electronic fuel injection must be O.E.M. type; i.e. may only monitor engine functions.

D 1.5 Liquid Overflow:

Mandatory. Zie algemeen reglement 1:7.

D 1.6 Oil Systems:

Dry sump oil system permitted. External single-stage oil pumps permitted may be combined with other pump functions. Minimum catch-can capacity 0,5 litres. Mandatory.
Zie algemeen reglement 1:10.

D 1.7 Throttle:

Throttle control must be manually operated by driver’s foot. Electronics, pneumatics, hydraulics, lasers or any other devices may in no way affect the throttle operation. Zie algemeen reglement 1:14.

D 1.8 Supercharger:

Only permitted in AA/D, AB/D, BA/D, BB/D, CA/D, CB/D, DA/D, DB/D, EA/D, EB/D, FA/D, and FB/D Dragster. Zie algemeen reglement 1:12, 1:13, 2:13 en 4:8.

D 1.9 Turbocharger:

Only Commercially available turbochargers permitted and only in DT/D, ET/D and FT/D Dragster. All grinding and/or altering of turbochargers house prohibited. Zie algemeen reglement 2:13 en 4:8.

D 1.10 Vent Tube Breathers:

Mandatory. Zie algemeen reglement 1:15.

D 1.11 Nitrous Oxide:

Only Commercially available nitrous oxide systems permitted, in BN/D Dragster only. Prohibited in all other classes. Nitrous bottle(s) must be equipped with a relief valve and vented outside of a car.

Nitrous bottles in driver compartment must be equipped with a relief valve and vented outside of driver’s compartment. Bottles must be permanently mounted (no hose clamps or tie wraps).

Hoses from bottle(s) to solenoid must be high-pressure steel braided hoses. External heating of bottle(s) other than with electric blanket for the proper use prohibited. Zie algemeen reglement 1:9 en 9:7.

ART. 2 DRIVE TRAIN

D 2.1 Clutch, Flywheel, Flywheel Shield:

Flywheel and cluth meeting SFI Spec 1.1 or 1.2 (2-disc maximum) and flywheel shield meeting SFI Spec 6.1, 6.2 or 6.3, or flywheel and clutch meeting SFI Spec 1.2 (3 or more discs) and flywheel shield meeting minimum SFI Spec 6.2 or 6.3 mandatory.

The use of multi-stage, lock-up-type clutches is prohibited. Flywheel shield cannot be welded into the car and/or (used as crossmember) frame. Frame and/or body braces cannot be welded to flywheel shield. Clutch release must be manually operated by driver’s foot: electronics, pneumatics, hydraulics or any other device may in no way affect the clutch operation. Zie algemeen reglement 2:3, 2:5, 2:6 en 2:9.

 

D 2.2 Driveline:

Anti-blowback device mandatory in A/D, B/D, C/D, D/D, DT/D, ET/D, FT/D, AA/D, AB/D, BA/D, BB/D, CA/D, CB/D, DA/D, DB/D, EA/D, EB/D, FA/D, FB/D and BN/D Dragster. Zie algemeen reglement 2:1 en 2:4.

D 2.3 Rearend:

Aftermarket axles and axle-retention device for drag racing use mandatory. Spool permitted. Full-floating or live axle assembly recommended. Zie algemeen reglement 2:2 en 2:11.

 

D 2.4 Transmission:

Clutchless transmissions permitted. Any automotive type aftermarket planetary transmission with maximum of five forward speeds permitted. Reverse gear mandatory. Automated shifters and/or timer-type shifting devices on manual-type transmissions prohibited, each individual shift must be a function of the driver.

Shifting of a manual-type transmission may only be controlled by either manual or pneumatic means; electric or electronics may in no way affect the shifting mechanism. Air shifter bottles must be securely mounted. Overdrive/underdrive units, motorcycle, snowmobile or farm implement type transmission prohibited. Zie algemeen reglement 2:12, 2:13, 2:14 en 9:7.

D 2.4.1 Weight Adjustment, Automatics: Cars with automatic transmission, and fully working converter are allowed to take off weight from the calculated class weight as follows: A/D 45 kg, B/D 65 kg, C/D 85 kg, D/D 100 kg, E/D and F/D 45 kg. All other classes are not allowed to take off any weight. To be noticed is that cars can never weigh less than minimum weight.

 

D 2.5 Transmission Shield, Automatic:

Automatic transmission shield meeting SFI Spec 4.1 mandatory. Automatic transmission flexplate meeting SFI Spec 29.1 mandatory. Automatic transmission flexplate shield meeting SFI Spec 30.1 mandatory. Zie algemeen reglement 2:14.

ART. 3 BRAKES & SUSPENSION

D 3.1 Brakes:

Minimum two rear-wheel hydraulic brakes (disc brake) mandatory. Four-wheel brakes is recommended. Hand brake if used must be located inside of body or drivers compartment. Steel brake lines, steel braided or in accordance with DOT, DIN/ISO mandatory. All brake lines passing engine on any car must be shielded. Zie algemeen reglement 3:1.

D 3.2 Steering:

A device must be used to prevent long steering shaft from injuring driver in case of frontal impact. Zie algemeen reglement 3:3 en 4:1.

D 3.3 Suspension:

Any automotive suspension permitted. Rigid-mount front axles permitted if wheelbase is 3048mm (120 inch) or more. Rigid-mounted rear axles permitted. Any front suspension using a beam or tubular type axle must have radius rods attached to frame.

Radius rods not required on front axles rigidly mounted 457mm (18 inch) or less from front kingpin axis. Zie algemeen reglement 3:2, 3:4 en 3:5.

D 3.4 Wheelie Bars:

Permitted. Wheels must be non-metallic. Zie algemeen reglement 3:6.

ART. 4 FRAME

D 4.1 Ballast:

Permitted. Zie algemeen reglement 4:2.

D 4.2 Deflection Plate:

Must be installed between roll cage and engine on all rear-engine cars to protect driver and fuel tank. Minimum material thickness: 3mm (1/8-inch) T6 aluminium or 1.5mm (0,06 inch) steel. Optional. Zie algemeen reglement 1:1 en 4:3.

D 4.3 Ground Clearance:

Minimum 76mm (3 inch) from front of car to 305 mm (12 inch) behind centreline of front axle, 51 mm (2 inch) for remainder of car, except oil pan and exhaust headers. Zie algemeen reglement 4:5.

D 4.4 Parachute:

Mandatory. Zie algemeen reglement 4:8.

D 4.5 Pinion Support:

Mandatory on all front-engine cars. Zie algemeen reglement 4:9.

D 4.6 Roll Cage:

Mandatory in accordance with picture 22-26 algemeen reglement 4:11:2. Cars in classes A/D, B/D, AA/D, AB/D, BA/D, BB/D and BN/D must meet SFI Spec 2.3K or 2.2B, 2.5 or 2.4A. Chassis must be inspected every three years. Zie algemeen reglement 4:4, 4:11, 4:11:1, 4:11:2, 10:6 en 10:7.

D 4.7 Wheelbase & Tread Width:

Minimum wheelbase 2286mm ( 90 inch). Maximum wheelbase variation from left to right: 51mm (2 inch). Minimum front tread width 660mm (26 inch).

ART. 5 TYRE & WHEELS

D 5.1 Tyres:

Racing slicks mandatory. Minimum diameter of 13-inches on front tyres of any Dragster. Zie algemeen reglement 5:1.

 

D 5.1.1 Front Tyres:

Motorcycle tyre for high-speed use Avon 2.25 S17 or 2.50 S17 are permitted only in E/D and F/D Dragster. Zie algemeen reglement 5:1.

D 5.2 Wheels:

Wire wheels permitted on front of Dragsters only, provided total weight of car does not exceed 817 kg (1800 lbs.) Zie algemeen reglement 5:2.

ART. 6 INTERIOR

D 6.1 Upholstery:

Optional. Magnesium prohibited.

D 6.2 Seats:

Zie algemeen reglement 6:2.

 

ART. 7 BODY

D 7.1 Air Foils, Wings:

Side-mounted canard-type units permitted, securely mounted. No part of canards/wings may be within 152mm (6 inch) of any tire.

Frontal air dam permitted. Maximum projection ahead of spindle centre-line: 762mm (30 inch). Width cannot exceed front tread width. Maximum rise: 254mm (10 inch). Projection behind front axle, outside of frame rails prohibited. Spill plates permitted, not to exceed 229mm (9 inch) in height. Ground clearance must be 76mm (3 inch). Maximum wing size 0,645m2 (1000 square inches).

Any adjustment or movement during runs prohibited. Zie algemeen reglement 7:2.

D 7.2 Body:

Body and cowl must be metal, Fiberglas or carbon fibre and must extend to firewall. Driver compartment, frame structure, roll cage and body must be designed to prevent driver’s body or limbs from making contact with wheels, tires, exhaust system or track surface.

If driver’s body is in contact with bellypan, a crossmember and sub-floor are mandatory. Altered-type bodies prohibited. Driver’s legs must be retained inside frame by sub-flooring, or other retaining device that is independent of car’s body. On open-wheeled, front-engine cars, hood scoop may not extend more than 279mm (11 inch) above height of carburettor top. Zie algemeen reglement 1:4 en 7:7.

D 7.3Front-Wheel Fairings:

Prohibited.

D 7.4 Windscreen:

Mandatory. Zie algemeen reglement 7:8.

ART. 8 ELECTRICAL

D 8.1 Batteries:

All batteries must be securely mounted with metal hold-downs outside the driver compartment. Zie algemeen reglement 8:1.

D 8.2 Delay Box/Device:

Prohibited. Zie algemeen reglement 8:2.

D 8.3 Ignition:

Zie algemeen reglement 8:3.

D 8.4 Master Cut-Off:

Mandatory on all cars with a battery. Zie algemeen reglement 8:4.

D 8.5 Tail Lights:

All cars must have one functional taillight for night operations. Zie algemeen reglement 8:6.

ART. 9 SUPPORT GROUP

D 9.1 Computer:

Permitted. Zie algemeen reglement 9:1 en 9:2.

 

D 9.2 Fire Extinguisher:

Permitted. Mandatory on cars with closed driver’s compartment. Minimum capacity 2,5 kg. Hand held fire extinguisher prohibited. Zie algemeen reglement 9:3.

D 9.3 Push Start:

Prohibited. Zie algemeen reglement 9:8.

D 9.4 Tow Vehicles:

Permitted. Zie algemeen reglement 9:9.

D 9.5 Warm Ups:

Zie algemeen reglement 9:4 en 9:11.

 

ART. 10 DRIVER

D 10.1 Arm Restraints:

Mandatory. Zie algemeen reglement 10:3.

D 10.2 Licence:

Drag Race Licence mandatory. Zie algemeen reglement 10:4.

D 10.3 Driver:

Any location permitted if in compliance with algemeen reglement. Any car with no crossmember above driver’s legs must have a strap or device to prevent legs from projecting outside chassis.

D 10.4 Driver Restraint System:

Three-inch five point driver restraint system meeting SFI Spec 16.1 or FIA/ISO 8853 mandatory. Crotch strap mandatory. Zie algemeen reglement 10:5.

D 10.5 Head Protector:

Mandatory. Zie algemeen reglement 10:6.

D 10.6 Helmet:

Zie algemeen reglement 10:7.

 

D 10.7 Neck Collar:

Mandatory. Zie algemeen reglement 10:8.

D 10.8 Protective Clothing:

Front engine, supercharged or turbocharged, closed bodied car, OR any car with an automatic transmission in driver compartment (no floor covering transmission) : Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/15, gloves meeting SFI spec 3.3/5 and boots or shoes meeting SFI spec 3.3/15 mandatory.

Front engine, supercharged or turbocharged open bodied car:

Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/20, gloves meeting SFI spec 3.3/5 and boots or shoes meeting SFI spec 3.3/15 mandatory.

Front engine car equipped with nitrous oxide: Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/15, gloves meeting SFI spec 3.3/5 and boots or shoes meeting SFI spec 3.3/5 mandatory.

Rear engine car equipped with nitrous oxide and/or turbocharged or supercharged: Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/15, gloves meeting SFI spec 3.3/5 and boots or shoes meeting SFI spec 3.3/5 mandatory.

Naturally aspirated car; i.e. all others: Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/5 or 1986 FIA standard and gloves meeting SFI spec 3.3/5 or 1986 FIA standard mandatory.

Zie ook algemeen reglement 10:10.

ALTERED CARS

Designation:

A/A, B/A, C/A, D/A, E/A, F/A, G/A, H/A, I/A, AT/A, BT/A, CT/A, DT/A, AA/A, AB/A ,BA/A, BB/A, CA/A, CB/A, DA/A, DB/A, AN/A, BN/A, CN/A and DN/A preceded by car number.

For Starting numbers: Zie algemeen reglement 7:3.

Altered type 1: Open Altereds and Funny Cars built for competition uses only. The body of a type originally produced by an automobile manufacturer. Typical for these cars is central steering and flip-body. For A/A, B/A, AA/A, AB/A, AT/A, AN/A and BN/A chassis must meet SFI Spec. 10.1D

Altered type 2: Very modified or special made cars. With Stock appearance. Full body with operating doors or Roadsters with fenders that cover all wheels. Must have Suspension and brakes at each wheel. For A/A, B/A, AA/A, AB/A, AT/A, AN/A and BN/A chassis must meet SFI Spec. 25.1D

25 Classes. Class is determined from the car’s weight incl. Driver divided by the size of the engine.

Class Kg/litre Min.weight (kg Note
A/A 94 – 129 1), 2)  
B/A 130 – 149 1), 2)  
C/A 150 – 179 680  
D/A 180 – 207 3), 4), 5)  
E/A 208 – 234 3), 4), 5)  
F/A 235 – 262 3), 4), 5)  
G/A 263 – 290 3), 4), 5)  
H/A 291 – 317 3), 4), 5)  
I/A 318 - 3), 4), 5)  
AA/A 150 – 207 1), 2) ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
AB/A 150 – 207 1), 2) ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
BA/A 208 – 299 3), 4), 6) ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
BB/A 208 – 299 3), 4), 6) ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
CA/A 300 – 399   ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
CB/A 300 – 399   ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
DA/A 400 -   ONLY SUPERCHARGED, ROOTS HIGH HELIX
DB/A 400 -   ONLY SUPERCHARGED, STANDARD ROOTS
AT/A 163 – 226 1), 2) ONLY TURBOCHARGED
BT/A 227 – 349 3), 4), 6) ONLY TURBOCHARGED
CT/A 350 – 499   ONLY TURBOCHARGED
DT/A 500 -   ONLY TURBOCHARGED
AN/A 110 – 139 1), 2) ONLY NITROUS OXIDE
BN/A 140 – 169 1), 2) ONLY NITROUS OXIDE
CN/A 170 – 199 1), 2) ONLY NITROUS OXIDE
DN/A 200 -   ONLY NITROUS OXIDE

 

Minimum Weight

• Altered Cars type 1. 680 kg (1499 lbs.)

• Altered Cars type 2. 1066 kg (2350 lbs.)

• V8-cars, 950 kg (2095 lbs.)

• Maximum 6-cylinders, 900 kg (1984 lbs.)

• Maximum 4-cylinders, 500 kg (1102 lbs.)

• Maximum 4 cylinders, 612 kg (1349 lbs.)

Maximum weight: 1350 kg (2976 lbs.)

REQUIREMENTS AND SPECIFICATIONS

ART. 1 ENGINE

A 1.1 Engine:

One international combustion, reciprocating, automobile-type engine permitted. Super-charger, turbocharger and nitrous oxide prohibited, except for where the class definition permits, but never as a combination. Engine must be in front of the driver (rear engine mounting plate must be in front of the driver’s feet).

Cast harmonic balancer prohibited. Harmonic balancer meeting SFI specs 18.1 or steel billet harmonic balancer made in one-piece mandatory. Zie algemeen reglement 1:2.

A 1.2 Exhaust System:

Competition exhaust systems permitted. Exhaust must be directed out of body to rear, away from driver and fuel tank. Zie algemeen reglement 1:3.

A 1.3 Fuel:

Only Gasoline, petrol and methanol permitted. Nitrous oxide prohibited except in AN/A, BN/A, CN/A and DN/A Altereds. Propylene oxide prohibited. Zie algemeen reglement 1:6, 1:6:1, 1:8, 1:9 en 1:.11.

A 1.4 Fuel System:

Electronic fuel injection system of O.E.M. type produced by car manufacture for original use permitted. Fuel injection is only allowed to monitor information from engine. Fuel lines must be isolated from driver’s compartment. Artificial cooling or heating of fuel prohibited. Circulating pumps and/or systems prohibited if it isn’t part of O.E.M. fuel system. For Altered Cars type-2 fuel cell mandatory. Fuel cell meeting FIA/FT3 or SFI Spec 28.1 recommended. Zie algemeen reglement 1:5 en 1:5:1.

A 1.4.1 Induction:

Any induction system permitted. Electronic fuel injection must be closed O.E.M. type system; i.e. may only monitor engine functions. Monitoring of vehicle performance criteria, wheel speed, driveshaft speed etc. by fuel injection system prohibited. System must be FIA accepted.

A 1.5 Liquid Overflow:

Mandatory. Zie algemeen reglement 1:7.

A 1.6 Oil Systems:

Dry sump oil system permitted. External single-stage oil pumps permitted may be combined with other pump functions. Minimum catch-can capacity 0,5 litres. Mandatory. Zie algemeen reglement 1:10.

A 1.7 Throttle:

Throttle control must be manually operated by driver’s foot. Electronics, pneumatics, hydraulics, lasers or any other devices may in no way affect the throttle operation. Zie algemeen reglement 1:14.

A 1.8 Supercharger:

Only permitted in AA/A, AB/A, BA/A, BB/A, CA/A, CB/A, DA/A and DB/A altered. Zie algemeen reglement 1:12, 1:13, 2:13 en 4:8.

A 1.9 Turbocharger:

Only Commercially available turbochargers permitted and only in AT/A, BT/A, CT/A and DT/A Altereds. All grinding and/or altering of turbochargers house prohibited. Zie algemeen reglement 2:13 en 4:8.

 

A 1.10 Vent Tube breathers:

Mandatory. Zie algemeen reglement 1:15.

A 1.11 Nitrous Oxide:

Only Commercially available nitrous oxide systems permitted, but only in AN/A, BN/A, CN/A and DN/A Altereds. Prohibited in all other classes. Nitrous bottle(s) in driver compartment must be equipped with a relief valve and vented outside of driver’s compartment. Bottles must be permanently mounted (no hose clamps or the wraps). Hoses from bottle(s) to solenoid must be high-pressure steel braided hoses. External heating of bottle(s) other than with electric blanket for the proper use prohibited. Zie algemeen reglement 1:9 en 9:7.

ART. 2 DRIVE TRAIN

A 2.1 Clutch, Flywheel, Flywheel Shield:

Flywheel and clutch meeting SFI Spec 1.1 or 1.2 (2-disc maximum) and flywheel shield meeting SFI Spec 6.1, 6.2 or 6.3, or flywheel and clutch meeting SFI Spec 1.2 (3 or more discs) and flywheel shield meeting minimum SFI Spec 6.2 or 6.3 mandatory. The use of multi-stage, lock-up-type clutches is prohibited.

Flywheel shield cannot be welded into the car and/or (used as crossmember) frame. Frame and/or body braces cannot be welded to flywheel shield. Clutch release must be manually operated by driver’s foot; electronics, pneumatics, hydraulics or any other device may in no way affect the clutch operation.

Zie algemeen reglement 2:3, 2:5, 2:6 en 2:9.

A 2.2 Driveline:

Zie algemeen reglement 2:4.

A 2.3 Rearend:

Aftermarket axles and axle-retention device for drag racing use mandatory. Spool permitted. Full-floating or live axle assembly recommended. Cars over 900 kg (2000 lbs.) with swing axle rearend prohibited. Zie algemeen reglement 2:2, 2:.11 en picture 47.

A 2.4 Transmission:

Clutches transmissions permitted. Any automotive type aftermarket planetary transmission with maximum of five forward speeds permitted. Reverse gear mandatory. Automated shifters and/or timer-type shifting devices on manual-type transmissions prohibited, each individual shift must be a function of the driver.

Shifting of a manual-type transmission may only be controlled by either manual or pneumatic means; electric or electronics may in no way affect the shifting mechanism . Air shifter bottles must be securely mounted. Overdrive/underdrive units, motorcycle, snowmobile or farm implement type transmission prohibited. Zie algemeen reglement 2:12, 2:13, 2:14 en 9:7.

A 2.4.1 Weight Adjustment, Automatics:

Cars with automatic transmission, and fully working converter are allowed to take of weight from the calculated class weight as follows: A/A 45 kg (100 lbs.), B/A 90 kg (200 lbs.) and C/A 113 kg (250 lbs.), D/A, E/A, F/A, G/a, H/A and I/A. With V8 113 kg (250 lbs.). With maximum 6-cylinders 68 kg (150 lbs.). With 4-cylinders 45 kg (100 lbs.). All other classes are not allowed to take off any weight. To be noticed is that cars never weigh less than minimum weight.

 

A 2.5 Transmission Shield, Automatic:

Automatic transmission shield meeting SFI Spec 4.1 mandatory. Automatic transmission flexplate meeting SFI Spec 29.1 mandatory. Automatic transmission flexplate shield meeting SFI Spec 30.1 mandatory. Zie algemeen reglement 2:14.

 

ART. 3 BRAKES & SUSPENSION

A 3.1 Brakes: Minimum two rear-wheel hydraulic brakes (disc brake) mandatory.

Four-wheel brakes are always recommended. On all Altered Cars type-2 four-wheel hydraulic brakes mandatory. On all A/A, B/A, AA/A, BB/A, AT/A, BT/A, AN/A, BN/A , CN/A and DN/A Altereds type-1 four-wheel hydraulic brakes mandatory. Hand brake if used must be located inside of body or drivers compartment. Steel brake lines, steel braided or in accordance with DOT, DIN/ISO mandatory. All brake lines passing engine on any car must be shielded. Zie algemeen reglement 3:1.

A 3.2 Steering:

Commercially available quick-disconnect wheel permitted. Units meeting SFI Spec 42.1 recommended. For type-2 Altered Cars, minimum steering wheel diameter 279mm (11 inch).
Zie algemeen reglement 3:3 en 4:1.

A 3.3 Suspension:

Altered Cars type-1: Any automotive suspension permitted. Rigid-mount front axles permitted if wheelbase is 3048mm (120 inch) or more. Rigid-mounted rear axles permitted. Any front suspension using a beam or tubular type axle must have radius rods attached to frame. Radius rods not required on front axles rigidly mounted 457m (18 inch) or less from front kingpin axis. Zie algemeen reglement 3:2, 3:4 en 3:5.

Altered Cars type-2: Full automobile-type suspension mandatory.

Minimum one hydraulic shock absorber per sprung wheel mandatory. Zie algemeen reglement 3:2, 3:4 en 3:5.

A 3.4 Traction Bars:

Permitted. Can not be longer than half the wheelbase. Zie algemeen reglement 3:4 en 3:5.

A 3.5 Wheelie Bars:

Permitted. Wheels must be non-metallic. Zie algemeen reglement 3:6.

ART. 4 FRAME

A 4.1 Ballast:

Permitted. Zie algemeen reglement 4:2.

A 4.2 Bumper:

Optional; if used must conform to original specifications. Rear bumper is not allowed to be used as wing/spoiler.

A 4.3 Ground Clearance:

Minimum 76mm (3 inch) from front of car to 305mm (12 inch) behind centreline of front axle, 51mm (2 inch) for remainder of car, except oil pan and exhaust headers. Zie algemeen reglement 4:5.

A 4.4 Parachute:

Mandatory. Zie algemeen reglement 4:8.

A 4.5 Roll Cage:

Mandatory in accordance with picture 21-22 for Altered Cars type-1, 19-20 and 27-29 for Altered/ Roadster Cars type-2. Zie algemeen reglement 4:11:1 en 4:11:2.

Cars in classes A/A, B/A, AA/A, AB/A, AT/A, AN/A, BN/A and CN/A must meet SFI Spec 10.1D or 25.1D. Chassis must be inspected every three years. Zie algemeen reglement 4:4, 4:11, 4:11:1, 4:11:2, 10:6 en 10:7.

A 4.6 Wheelbase, Altereds, Roadsters :

Minimum wheelbase 2286mm (90 inch). Maximum wheelbase 3175mm (125 inch). Maximum wheelbase variation from left to right: 25,4 mm (1 inch).

 

A 4.6 Wheelbase, Funny Cars :

Minimum wheelbase: 2540mm (100 inch). Maximum wheelbase 3175mm (125 inch). Rear tires are not allowed to be outside body.

The outside of rear tire is not to be more than 76mm (3 inch) inside the body. Front tread width is not allowed to be such that the outside of front tire is more than 152mm (6 inch) inside the bodyline, measurement is done from the outside of tire to the inside of fenders edge. Maximum wheelbase variation from left to right: 25,4mm (1 inch).

Wheelbase, Altereds Type-2 :

Minimum wheelbase 2286mm (90 inch). Maximum wheelbase 3175mm (125 inch). When Altered cars type-2 have to meet SFI Spec 25.1C a minimum wheelbase of 2540mm (100 inch) is mandatory, and maximum wheelbase is 3175mm (125 inch). Maximum wheelbase variation from left to right 25,4mm (1 inch).

 

ART. 5 TYRE & WHEELS

A 5.1 Tyres:

Racing slicks mandatory. Zie algemeen reglement 5:1.

A 5.2 Wheels:

Aftermarket wheels permitted. Wire wheels permitted on front of Altered cars type-1 only, provided total weight of car does not exceed 800 kg (1763 lbs.). Motorcycle wheels prohibited.

Altered Cars type-2: Minimum front-wheel diameter 331mm (13 inch) unless car was originally equipped with smaller wheels and is using original engine. Minimum wheel width 88mm (3,4 inch), front tire must be fitted to the wheel width, and be able to take the load on front axle. Zie algemeen reglement 5:2.

ART. 6 INTERIOR

A 6.1 Sheet Metal:

Drivers compartment interior must be aluminium or steel. Magnesium prohibited. Zie algemeen reglement 6:1.

A 6.2 Seats:

In Altered cars type-2 central steering prohibited.Zie algemeen reglement 6:2.

A 6.3 Tonneau Cover:

Covers permitted over driver compartment and/or pick up beds if they do not restrict driver entry/exit.

A 6.4 Window Net:

Mandatory in full-bodied cars. Zie algemeen reglement 6:3.

ART. 7 BODY

A 7.1 Air Dam:

Frontal air dam only permitted on open Altereds with open wheels.

Maximum projection ahead of spindle centre-line: 762mm (30 inch). Width cannot exceed front tread width. Maximum rise: 254mm (10 inch). Spill plates permitted, not to exceed 229mm (9 inch) in height. Ground clearance must be minimum 76mm (3 inch). Any adjustment or movement during runs prohibited. Zie algemeen reglement 7:2.

A 7.2 Bellypan:

Permitted.

A 7.3 Body, Altered Cars Type-1:

Must be identifiable with car made by automotive manufacture.

Customising and other alterations allowed. Maximum projection ahead of spindle centre-line: 762mm (30 inch), for Funny Cars 1016mm (40 inch). Cars with full flip-body must have a working escape hatch installed in top of body to permit easy driver exit.

Minimum size 457 x 432mm (18 x 17 inch). Roof hatch must be permanently attached, and hinged at front. Must have release mechanism, operable from both inside and outside of car.

 

A 7.3 Body, Altered Cars Type-2:

Sedan, coupe, roadster, estate or pick-up body-type permitted.

Full-body including fenders over all wheels mandatory. Maximum projection ahead of spindle centre-line: 1016mm (40 inch).

Fiberglas bodies permitted. Spoilers and Wings as in the rules for Pro Stock and Pro Modified permitted.Zie algemeen reglement 7:2.

A 7.4 Firewall, Floor:

Mandatory. Zie algemeen reglement 7:5 en 7:6.

A 7.5 Hood, Hood Scoop:

Hood permitted, but must conform to original type dimensions for body used. Cars without hood, must have a flash shield, – or hood scoop in place of hood. On cars with hood, hood scoop may not extend more than 279mm (11 inch) above height of hood surface, if hood is not used, hood scoop may not extend more than 279mm (11 inch) above height of carburettor top. Zie algemeen reglement 1:4 en 7:7.

A 7.6.Wheelwells:

Wheelwells can be altered, but there must be one for each rear wheel. For Altered Cars type-2 wheelwells must provide a bulkhead between wheel and driver compartment.

A 7.7 Windscreen, Windshield, Windows:

Altered Cars type-1 and roadsters without a windshield must have a metal or other flameproof deflector installed. Altered Cars type-2 and Funny Car full-windscreen is mandatory. Plexiglas in windscreen prohibited must be made of polycarbonat ( Lexan or equal). Side-windows in Plexiglas permitted. Minimum window openings 127mm (5 inch) measured vertically. Zie algemeen reglement 7:8 en 7:9.

ART. 8 ELECTRICAL

A 8.1 Batteries:

Maximum two batteries. All batteries must be securely mounted with metal hold-downs outside the driver compartment. Maximum weights including battery-box 70 kg (154 lbs.). Zie algemeen reglement 8:1.

A 8.2 Delay Box/Device:

Prohibited. Zie algemeen reglement 8:2.

A 8.3 Ignition:

Zie algemeen reglement 8:3.

A 8.4 Master Cut-Off:

Mandatory on all cars with a battery. Zie algemeen reglement 8:4.

A 8.5 Tail Lights:

All cars must have one functional taillight for night operations. Zie algemeen reglement 8:6.

SUPPORT GROUP: A9

A 9.1 Computer:

Permitted. Zie algemeen reglement 9:1 en 9:2.

A 9.2 Fire Extinguisher:

Permitted. Mandatory on cars with closed drivers compartment.

Minimum capacity 2,5 kg. Hand held fire extinguisher prohibited. Zie algemeen reglement 9:3.

A 9.3 Push Start:

Prohibited. Zie algemeen reglement 9:8.

A 9.4 Tow Vehicles:

Permitted. Zie algemeen reglement 9:9.

A 9.5 Warm Ups:

Zie algemeen reglement 9:4 en 9:11.

 

ART. 10 DRIVER

A 10.1 Arm Restraints:

Mandatory in open Altereds and Funny Cars. Zie algemeen reglement 10:3.

A 10.2 Licence:

Drag Race Licence mandatory. Zie algemeen reglement 10:4.

A 10.3 Driver:

Must be located behind engine and completely within body contour with no part of driver behind rear axle.

A 10.4 Driver Restraint System:

Three-inch five point driver restraint system meeting SFI Spec 16.1 or FIA/ISO 8853 mandatory. Crotch strap mandatory. Zie algemeen reglement 10:5.

A 10.5 Head Protector:

Mandatory. Zie algemeen reglement 10:6.

A 10.6 Helmet:

Zie algemeen reglement 10:7.

A 10.7 Neck Collar:

Mandatory. Zie algemeen reglement 10:8.

PROTECTIVE CLOTHING

Front engine, supercharged or turbocharged, closed bodied car, or any car with automatic transmission in driver compartment (no floor covering transmission): Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/15, gloves meeting SFI spec 3.3/5 and boots or shoes meeting SFI spec 3.3/15 mandatory.

Front engine, supercharged or turbocharged open bodied car: Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/20, gloves meeting SFI spec 3.3/5 and boots or shoes SFI spec 3.3/15 mandatory.

Front engine car equipped with nitrous oxide: Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/15, gloves meeting SFI spec 3.3//5 and boots or shoes meeting SFI spec 3.3/5 mandatory.

Rear engine car equipped with nitrous oxide and/or turbocharged or supercharged: Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/15, gloves meeting SFI spec 3.3/5 and boots or shoes meeting SFI spec 3.3/5 mandatory.

Naturally aspirated car: i.e. all others: Jacket and pants or suit meeting SFI spec 3.2A/5 or 1986 FIA standard and gloves meeting SFI 3.3/5 or 1986 FIA standard mandatory.

Zie ook algemeen reglement 10:10.

Mededeling Organisatie

Deze Competition Eliminator reglementen zijn afkomstig van de MSA Drag Racing Rulebook 2003.


PRO MODIFIED

DESIGNATION

PM, preceded by car number.

For Starting numbers; See GSR: 7:3.

 

Minimum weight nitrous cars: 1077 kg (2375 lbs.).

Minimum weight supercharged cars: 1202 kg (2649 lbs.).

REQUIREMENTS AND SPECIFICATIONS

(See also FIA Regulations Pro Mod 2004)

ART. 1 ENGINE

PM 1.1 Carburettor:

Any automotive production carburettor with any internal modifications or mechanical fuel injection permitted. Electronic fuel injection accepted on Nitrous cars only and then with a maximum of eight 57 mm (2.25”) air inlets and one nozzle per runner.

PM 1.2 Cylinder heads:

Hemi, canted-valve or wedge cast heads permitted. Billet heads permitted. Any valve configuration or valve size permitted except on supercharged cars where maximum intake valve size is 2.40” intake and 1.90” exhaust. Maximum one sparkplug per cylinder permitted.

PM 1.3 Engine:

Any internal combustion engine allowed with any modifications. Crankshaft centre line must intersect cylinder bore centrelines and be symmetrical. Maximum bore space 127 mm (5”). Only one engine permitted. On all intake manifold an intake burst panel or pop-off valve is recommended. Engine capacity is limited to 11,65 litre/711 ci (no tolerance) for normally aspirated engines and 8,63 litre/527 ci (no tolerance) for supercharged engines. Harmonic balancer meeting SFI spec. 18.1 mandatory. See GSR: 1:2.

PM 1.4 Engine setback:

Maximum 10 percent of finished wheelbase, measured from the centre-line of front spindle to the centre of the front spark plug hole.

PM 1.5 Engine ballistic restraint:

All engines must be equipped with engine ballistic restraint meeting SFI spec. 7.1 or International accepted approved lower engine ballistic restraint with absorbent lining. If restraint is not 51 mm (2 inch) above the ground a shield firmly attached to frame rails must be used. See GSR: 4:5.

PM 1.6 Exhaust system:

Competition type exhaust systems required. Exhaust gases must be directed out of the car body, rearward, away from driver and fuel tank.

PM 1.7 Liquid overflow:

Mandatory. See GSR: 1:7.

PM 1.8 Fuel:

Only gasoline/petrol and methanol meeting International specifications permitted. The use of propylene oxide, and nitro methane prohibited. Only methanol meeting International Specs mandatory on supercharged cars.
See GSR: 1:6, 1:6:1, 1:8, 1:9 en 1:11.

PM 1.9 Fuel System:

Fuel cell meeting SF1 Spec 28.1 or appropriate FIA standard mandatory, must have pressure cap and be vented to outside of body. Maximum two fuel cells permitted. Trunk must be completely separated from driver compartment with firewall. Fuel cell meeting SF1 Spec 28.1 or appropriate FIA standard mounted in front of radiator permitted; must be mounted between frame rails, and enclosed in a round tube frame, minimum 32 mm (1-1/4 inch) outside diameter x 1.65 mm (0.065-inch) chrome molly tubing. Extra tank(s) prohibited. Artificial cooling or heating systems (i.e.: cool cans, ice, freon, etc.) prohibited. Circulating systems, not part of normal fuel pump system, prohibited. See GSR: 1:5.

 

PM 1.10 Radiator:

One only full size automotive radiator in front location, with one only water pump mandatory, except for supercharged cars. External plumbing from water pump to block and/or cylinder head(s) permitted. Water pump and fan may be electrically driven.

PM 1.11 Throttle:

Throttle control must be manually operated by driver’s foot: electronics, pneumatics, hydraulics or any other device may in no way affect the throttle operation. See GSR: 1:14.

PM 1.12 Supercharger:

Screw type superchargers prohibited. Turbochargers prohibited. Use of nitrous oxide or electronic fuel injection together with supercharger prohibited. Maximum overdrive for 14-71 standard; 50%, for 14-71 helix; 29%.
No intercoolers permitted. Maximum size 19 inch rotor case length; 11-¼ inch case width; ¼ inch minimum case thickness; ¼ inch front plate thickness; 0.300 inch minimum rear plate thickness. Maximum rotor cavity diameter is 5.840 inches. Rotor helix angle of Roots-type may not exceed that of standard 71 series GM-type rotor (4 degrees per inch) and for high-helix the rotor helix angle may not exceed 6.5 degrees per inch (123.5 degrees total) over 19 inch maximum rotor length). No variable speed devices allowed. Aluminum studs (supercharger to manifold) mandatory. All superchargers must be equipped with SF1 Spec 14.2 restraint with bag. International scrutineering reserve the right to change the overdrive limits on any engine combination at anytime. See GSR: 1:12 en 1:13.

PM 1.13 Nitrous oxide:

No more than 6 nitrous oxide solenoids permitted. No bottle may be turned on until after burnout is complete. No in-line valves accepted as bottle shut off in staging lanes. Push system permitted. HOBB switch mandatory. Nitrous must be operated by wide-open throttle switch only. Commercially available nitrous oxide systems permitted, prohibited on supercharged engines. Nitrous bottles in driver compartment must be equipped with a relief valve and vented outside of driver’s compartment. Bottles must be permanently mounted (no hose clamps or tie wraps). Hoses from bottle(s) to solenoid must be high pressure steel braided hoses. External heating of bottle(s) other than with hot water or electric blanket for the proper use prohibited. See GSR: 1:9 en 9:7.

ART. 2 DRIVE TRAIN

PM 2.1 Clutch, Flywheel, Flywheel shield:

Flywheel and clutch meeting SF1 Spec 1.2 and 1.4 (3 disc maximum) and flywheel shield meeting SF1 Spec 6.3 mandatory. The use of multi-stage, lock-up-type clutches is prohibited. Flywheel shield cannot be welded into the car and/or used as crossmember of the frame. Frame and/or body braces cannot be welded to flywheel shield and all attachments must be used. Clutch release must be manually operated by driver’s foot; electronics, pneumatics, hydraulics or any other device may in no way affect the clutch operation.
See GSR: 2:3, 2:5, 2:8 en 2:9.

 

PM 2.2 Driveline:

May be modified or fabricated to fit altered units. Front-wheel drive cars may be converted to rear-wheel drive. Full 360 degree drive shaft tube required over yoke, extended from transmission tail shaft a minimum length of 229 mm ( 9 inches), minimum thickness of tube housing is 3 mm (0.118 inch) steel or 1,27 mm (0.050 inch) chrome molly. Or a 360 degree drive shaft Ioop made of 22 mm (7/8 inch) x 1.65 mm (0.065 inch) welded steel tubing, securely mounted and located within 152 mm (6 inches) of front U-joint. See GSR: 2.4.

 

PM 2.3 Rearend:

Aftermarket axles with minimum 15.87 mm (5/8 inch) stud bolts and axle retention device mandatory. Full-floating or live axle units permitted ( highly recommended). See GSR: 2.2 and 2.11.

 

PM 2.4 Transmission:

Aftermarket planetary, automatic or clutchless transmission with a maximum of 5 forward speeds and reverse permitted. All transmissions must have a neutral gear. Planetary and automatic transmission must be covered by a SF1 Spec 4.1 transmission shield. Automated shifters and / or timer-type shifting devices prohibited. each individual shift must be a function of the driver. Shifting of the transmission may only be controlled by either manual or pneumatic means; electric or electronics may in no way affect the shifting mechanism. Air shifter bottles must be permanently mounted (hose clamps or tie wraps prohibited). See GSR: 2.12, 2.13 and 9.7.

 

ART. 3 BRAKES AND SUSPENSION

PM 3.1 Brakes:

Automated brakes prohibited; application and release of brakes must be a function of the driver. Four-wheel hydraulic brakes mandatory. Brake lines must be out of flywheel and driveline area. Dual master cylinders mandatory. See GSR: 3.1.

PM 3.2 Steering:

Stock-type steering in conventional location mandat. Commercially available high quality quick-disconnect steering wheel mandatory, units meeting SF1 Spec. 42.1 recommended. Minimum steering wheel diameter, 11 inches (279 mm). See GSR: 3.3 and 4.1.

 

PM 3.3 Suspension:

Full automobile production systems mandatory. Minimum, one hydraulic shock absorber per wheel. Fabricated units permitted. Lightening of -stock components prohibited. Rigid mounted suspensions or straight front axles prohibited. Minimum travel front and rear 51 mm (2 inch). See GSR: 3.2, 3.4 and 3.5.

PM 3.4 Wheelie bars:

Permitted. Maximum 2641 mm (104 inch) as measured from entreline of rearend to center of wheeliebar wheels. Wheels must be non-metallic. See GSR 3.6

ART. 4 FRAME

PM 4.1 Ballast:

Permitted. See GSR 4.2.

PM 4.2 Bumpers:

Stock or Fiberglas duplicates mandatory front and rear, may be molded into body.

PM 4.3 Ground clearance:

Minimum 34 inches (78 mm) from front of car to 12 inches (305 mm) behind centerline of front axle, 2 inches (51 mm) for remainder of car, except oil pan and exhaust headers. See GSR: 4.5.

PM 4.4 Parachutes:

Two parachutes mandatory. Separate shroud-line mounting points with minimum 12 mm (1/2 inch) sleeved 12.9 (grade 8) bolts. Rear of chute pack cannot be forward of rear tip of spoiler. See GSR 4:8.

PM 4.5 Roll cage:

Chassis must have manufacturer’s name, serial number and date Of manufacture. All chassis must meet SFI Spec 25.1C. Plating of chassis prohibited; painting permitted. Chassis must be inspected yearly by MSA and have serialized sticker affixed to frame before participation. See GSR4.4, 4.10, 4.11 and 4.11.2.

PM 4.6 Wheelbase:

Minimum 2540 mm (100 inches). Maximum 2921 mm (115 inches)

ART. 5 TIRES AND WHEELS

PM 5.1 Tires:

Racing tires mandatory and cannot be outside of body line. Inner liners accepted. See GSR: 5.1.

PM 5.2 Wheels:

Bead lock rear wheels or Rear wheels meeting SF1 Spec 15.1 with liner mandatory; maximum width: 16 inches. Wheel discs or covers prohibited. See GSR: 5.2.

ART. 6 INTERIOR

PM 6.1 Sheet Metal:

Driver compartment interior must be aluminum, steel or carbon fiber. Magnesium prohibited . See GSR: 6.1.

PM 6.2 Upholstery:

Drivers seat must be minimum 610 mm (24 inch) high. Nomex padded upholstery mandatory. Removal of passenger seat allowed. Seat frame must be installed as a permanent part of the chassis. See GSR: 6.2.

PM 6.3 Windownet:

Window net meeting SF1 Spec 27.1 or appropriate FIA standard mandatory. See GSR 6.3.

ART. 7 BODY

PM 7.1 Body:

All cars must have full body. Original OEM body or replica shell mandatory. Chopping, channeling, sectioning, or other alterations to contour, length or width permitted as long as the body can be identified with original appearance. To accommodate allowable body relocation / lwheelbase modifications, front end may be lengthened in cowl area. Front overhang may not exceed 1092 mm (43 inches) forward of front spindle unless factory OEM. Body must be permanently attached to the frame or chassis. All windows must be retained with 50% of original opening showing. One piece bodies prohibited. Funny car bodies prohibited. Driver must sit on either left or right side of driveshaft. Model cars 1959 or earlier are considered nostalgia cars.

PM 7.2 Doors:

At least two functional doors mandatory, and they have to be operable from inside and outside. Must have sheet-metal deflector plate between fenders and leading edge of doors.

PM 7.3 Firewall:

Moving stock firewall rearward for engine installation permitted. Replacing stock unit with one of .024 inch (.6 mm) steel or .032 inch (.8 mm) aluminum permitted. From 0110112000 must be steel on all cars (.024 inch) See GSR: 7.5.

PM 7.4 Floor:

Replacing stock floors with .024 inch (.6 mm) steel or .032 inch (.8 mm) aluminum minimum permitted. Replaced floors must be stock in appearance and location. Drivers-side floor pan must be .024 steel and must be welded in place extending from fire wall to back of driver’s seat. Magnesium interior panels prohibited. See GSR: 7.8

PM 7.5 Grille:

Optional.

PM 7.6 Hood & Hood scoop:

Permitted, one opening only. Cowl section may be molded to hood. A minimum of four fasteners must be used on the leading edge of all lift-off hoods. Scoop that has any part above top/roof prohibited.

PM 7.7 Spoilers:

Rear spoilers to be no longer than 607 mm (24 inch), measured from the body line to spoiler transition point, to the tip. All spoilers to be painted to match paint scheme. Roof-mounted spoilers prohibited. Air foils permitted. Any adjustment or movement during run prohibited. No part of spoiler, spillplates and/or wing may be above top of roof height.

PM 7.8 Street equipment:

Recommended that one tail light be operational.

PM 7.9 Wheelwells:

Rear wheelwells must be separate for each tire. Must provide a bulkhead between wheel and driver compartment.

PM 7.10 Windshield, windows:

Full windows mandatory, 1/8 inch (3.2 mm) polycarbonate material, such as Lexan (polycarbonate) MR 4000, permitted. Must match original contour and mount in stock location. Windows must be closed, need not be operative. Cutting and/or notching windshield allowed if covered by hood and/or scoop. The side windows on all entries must have a minimum 4 inch diameter opening adjacent to the driver (1 per side). See GSR: 7.9.

ART. 8 ELECTRICAL

PM 8.1 Battery:

Maximum two batteries; total weight wet, fully charged, including battery box: 70 kg (150 lbs.). Trunk installation permitted. See GSR 8.1.

 

PM 8.2 Master cut off:

Mandatory on all cars with a battery. See GSR 8.4.

PM 8.3 Ignition:

All systems and related components must be approved and must not be modified from factory specifications. Magneto systems are limited to a single 44 amp maximum output, single spark plug. The use of microprocessors or battery dependent ignition system is prohibited on supercharged cars.

ART. 9 SUPPORT GROUP

PM 9.1 Computeridata recorders:

See GSR 9.1 and 9.2.

PM 9.2 Fire extinguisher system:

Minimum 2.3 kg (5 pound) FIA / MSA accepted fire extinguishing system mandatory. System must be divided with one nozzle on drivers side and one nozzle on engine. See GSR 9.3.

PM 9.3 Tow vehicles:

Three or four wheeled, Quadrunner/ATV type tow vehicles or vehicles approved by the Clerk of the Course permitted. Full size tow vehicle prohibited.

PM 9.4 Warm-ups:

See GSR 9.4 and 9.11.

ART. 10 DRIVER

PM 10.1 Credentials:

Valid drivers License and competition license mandatory. See GSR 10.4.

PM 10.2 Driver:

Must be in stock location. Driver’s seat to be no less than 22 inches (559 mm) from center of rear axle to seat back (where shoulder harness passes through).

PM 10.3 Driver restraint system:

3 inch (76 mm) driver restraint system meeting SF1 Spec 16.1 or FIA equivalent mandatory. Crotch strap mandatory. SF1 Spec. restraint system must be updated at two-year intervals from date of manufacture. See GSR 10.5.

PM 10.4 Helmet:

See GSR: 10.7 and MSA Competitors year book ( Blue book).

PM 10.5 Neck collar:

Pull together-type neck collar meeting SF1 Spec 3.3 mandatory. See GSR 10.8

PM 10.6 Protective clothing:

Drivers suit meeting SFI Spec 3.2A/15 mandatory, gloves meeting SFI Spec 3.3, and shoes meeting SFI spec 3.3 mandatory. Drivers suit meeting SF1 Spec 3.2A/20, gloves meeting SF1 Spec 3.3, and boots meeting SFI spec 3.3 mandatory on supercharged cars. See GSR 10.10.

MEDEDELING ORGANISATIE:

Onderdelen met SFI specificatie moeten waar mogelijk de sticker zichtbaar zijn. Eventuele documenten met betrekking tot dit onderdeel bij het voertuig houden. Deze Pro Modified reglementen zijn overgenomen uit de MSA drag racing car Rulebook 2003 (Motor Sport Association –GB).

Tevens geldt voor Pro Mod de geregistreerde FIA reglementen 2004.


JUNIOR DRAGSTER

Junior Dragster is restricted to competition in half-scale dragsters over a maximum distance of 1/8 mile. The competition structure is designed to be conducted on an ET dial your own format or on pre-set index on heads up breakout basis. Break Out rules apply. Pairings is decided on reaction times from qualifying or by random. Drivers between 8 and 11 years are restricted to Junior Stock.

Designation:

J/S, J/M and J/Ma preceded by car number. For Starting numbers, zie algemeen reglement 7:3.

J/S: Junior Stock, from 8 years up to 18 years of age. Only stock engine permitted. Unleaded pump petrol only. Break out limit 12.90 sec. or slower. Any racers running a tenth under the 12.90 sec. at any time during an event will receive one warning. If the same racers repeat this a second time, they will receive a further warning. If the same racers repeat this for a third time, it will result in automatic disqualification for the remainder of the event. Any racer running quicker than 12.70 sec. at any time during an event will be immediately disqualified for the remainder of the event. The above penalties will be imposed regardless of whether infraction(s) occur during qualifying or elimination.

J/M: Junior Modified, from the year the driver becomes 12 years of age up to 18 years of age. Break out limit 8.90 sec. or slower. Any racers running a tenth under the 8.90 sec. at any time during an event will receive one warning. If the same racers repeat this a second time, they will receive a further warning. If the same racers repeat this for a third time, it will result in automatic disqualification for the remainder of the event. Any racer running quicker than 8.70 sec. at any time during an event will be immediately disqualified for the remainder of the event. The above penalties will be imposed regardless of whether infraction(s) occur during qualifying or elimination.

J/Ma: Junior Modified Advance, from the year the driver becomes 13 years of age up to 18 years of age. Only cars with chrome moly chassis. Breakout limit 7.90 sec. or slower. Any racers running a tenth under the 7.90 sec. or faster than 85 mph (136 km) at any time during an event will receive one warning. If the same racers repeat this a second time, they will receive a further warning. If the same racers repeat this for a third time, it will result in automatic disqualification for the remainder of the event. Any racer running quicker than 7.70 sec. at any time during an event will be immediately disqualified for the remainder of the event. The above penalties will be imposed regardless of whether infraction(s) occur during qualifying or elimination.

REQUIREMENTS AND SPECIFICATIONS

ART. 1 ENGINE

JR 1.1 Camshaft:

J/S: No modifications allowed, must be stock.

J/M: Any camshaft permitted, no overhead valves, no overhead cams. Any size valve, but must retain stock valve guide location. Any valve spring permitted.

 

JR 1.2 Engine:

All vehicles restricted to a maximum of one, rear mounted 5 HP four cycle Briggs & Stratton engine. Must retain Briggs & Stratton 5 HP engine block in unaltered “as cast” condition. Adding material to deck surface, installing a spacer between the block and cylinder head, or any other modification designed to increase the effective deck height of the cylinder, prohibited.

J/S: Removal of rev-limiter, air filter, exhaust muffler permitted. Any type of exhaust headers permitted. No other modifications permitted.

J/M and J/Ma: Engine block must be stock 5 HP Briggs & Stratton. 4 HP engine block prohibited. Porting, polishing and relieving of block, boring of cylinder, machining of deck surface permitted. Aftermarket head permitted.

JR 1.3 Exhaust:

No part of exhaust may extend past the rear of the vehicle.

JR 1.4 Fuel:

Nitrous oxide, and/or Propylene oxide and/or nitromethane prohibited.

J/S: Only unleaded pump petrol/gasoline permitted.

J/M and J/Ma: Only unleaded pump petrol/gasoline and methanol/alcohol permitted.

JR 1.5 Fuel System:

Any naturally aspirated carburettor. Fuel injection prohibited. Auxiliary vacuum fuel pump permitted, must be pulsed from manifold only. Pressurised fuel systems prohibited. Fuel tank must be located behind driver, below the shoulder hoop of roll cage and be securely mounted. Maximum capacity of fuel tank or cell, 3,78 litres. Fuel tank/cell must be equipped with a screw-on positive locking cap. All vents must be routed downward and away from driver. Open hole(s) in fuel tank/cell prohibited .

 

JR 1.6 Ignition System:

Battery ignition systems prohibited.

JR 1.7 Oil System:

Oil additives for the intent of producing power prohibited.

JR 1.8 Starter:

Pull rope or remote starter mandatory. Any driver activated/operated starting systems prohibited.

JR 1.9 Supercharger, Turbocharger:

Prohibited.

JR 1.10 Throttle:

All vehicles must be equipped with a positive throttle return spring which shall close throttle when released. Throttle control must be manually operated by driver’s foot: electronics, pneumatics, hydraulics, or any other device may in no way affect the throttle operation. Throttle stops, other than mechanical (i.e. a positive stop under throttle pedal) prohibited. Must be securely mounted (no tie wraps).

 

JR 1.11 Vent Tubes, Breathers:

Where used, must be securely fastened (no tie wraps). Container/catch tank must be designed to prevent spillage onto racing surface (no open-top containers).

ART. 2 DRIVE TRAIN

JR 2.1 Belt/Chain Guards:

All cars must be equipped with a quard to cover the width and at least the top run to the forward and trailing centreline of the spockets of any belts or chains. Plastic belt guard permitted. Chain guards must be a minimum 1,5 mm steel or 3 mm aluminium. Must be securely mounted (no tie wraps). Moving engine/drivetrain parts must be protected by frame rails or guards. See PICTURE 44 .

JR 2.2 Clutch:

Maximum one dry centrifugal-type engine clutch. Chain or belt drive only. Axle clutches prohibited.

JR 2.3 Flywheel:

Aftermarket billet flywheel or International accepted aftermarket flywheel shield mandatory unless original stock Briggs & Stratton carburettor is used. With original, stock carburettor, aftermarket billet or stock steel flywheel mandatory. Cast aluminium flywheel prohibited. Keyway modifications permitted. Lightening or modifications to stock flywheel prohibited.

 

JR 2.4 Transmission:

Gear-type prohibited. Torque converter belt assembly units permitted.

ART. 3 BRAKES & SUSPENSION

JR 3.1 Brakes:

Two rear-wheel hydraulic drum or disc brakes, or International accepted mechanical brakes, mandatory. Front brakes permitted, but only in conjunction with rear breaks. Live axle may have brakes on one (19 wheel only if 177 mm minimum go-cart puck-type disc brake) is used. Use of drive sprocket as a brake rotor prohibited. Drilling of brake components prohibited. Line locs prohibited. Hand brake permitted, but must be directly coupled to foot brake; hand brake cannot be independent of, or instead of foot brake. Application and release of brakes must be a direct function of the driver; electronics, pneumatics, or any other device may in no way affect or assist brake operation.

JR 3.2 Steering:

Set screw steering shaft couplers/attachments prohibited. All components must have a positive “through” bolt connection; no roll or pressed pins, no ball-lock pins, set screws, etc. All rod ends must be installed with flat washers to prevent bearing pull out. Flexible steering shaft prohibited. Minimum spindle diameter 12,7 mm (1/2 inch). JMa must be equipped with rack and pinion steering.

JR 3.3 Wheelie Bars:

Permitted. Wheels must be non-metallic. Using wheelie bars wheels as fifth wheel sensing device prohibited.

ART. 4 FRAME

JR 4.1 Chassis Inspection:

All cars have to pass chassis inspection every 36 months.

JR 4.2 Alignment:

Each car in competition must have sufficient positive front-end caster to ensure proper handling of car at all speeds.

JR 4.3 Deflector Plate:

A deflector plate of minimum 1,5 mm (1/16 inch) aluminium must be installed between roll cage and engine extending from lower frame rail to the top of driver’s helmet. Portion between shoulder hoop and top of helmet must be minimum 177 mm (7-inches) wide, may be narrowed or rounded above the helmet. Two piece plate permitted with no air gap between the two. Carbon fibre prohibited.

JR 4.4 Ground Clearance:

Minimum 76 mm (3-inches) from front of car to 305 mm (12-inches) behind centreline of front axle, 51 mm (2-inches) for remainder of car.

JR 4.5 Mounting Hardware:

Hose clamps and the tie wraps may only be used to support hoes and wires; all other components must be welded, bolted, aircraft clamped etc. All Dzus fastener buttons must be metallic.

 

JR 4.6 Roll Cage: Construction must conform to standard dragster configuration as outlined in illustration PICTURE 45 with minimum 5-point roll cage mandatory. Roll cage hoops, upper frame rails and lower frame rails minimum 29 mm (1 1/8-inch) diameter by 2 mm (0,083 inch) wall thickness round steel tubing, uprights minimum 23 mm (7/8 inch) by 2 mm (0,083 inch). Uprights in driver compartment must be spaced 508 mm (20 inches) or less. Foot box must incorporate a minimum
19 mm (3/4 inch) by 2 mm (0,083-inch) diagonal. NOTE : 1,5 mm (0,058 inch) chrome moly may be used in place of 2 mm (0.083-inch) steel. Roll cage must be padded wherever it may come in contact with driver’s helmet. Adequate padding should provide approximately 6 mm (1/4-inch) compression. Weather stripping prohibited. All cage structures must be designed in an attempt to protect the driver from any angle, 360-degrees. All chrome moly welding must be done by approved MIG wire feed or TIG heliarc process. Welding must be free of slag and porosity. Any grinding of welds prohibited.

TUBING CHART
  Thickness
  OD Chrome moly Steel
A 29 mm (1 1/8 inch) 1,5 mm (0,058 inch) 2 mm (0,083 inch)
B 22 mm (7/8 inch 1,5 mm (0,058 inch) 2 mm (0,083 inch)
C 19 mm (3/4 inch) 1,5 mm (0,058 inch) 2 mm (0,083 inch)

JR 4.7 Weight:

Minimum weight (without driver or driver apparel/equipment) 102 kg (225 lbs.). Maximum amount of removable ballast is 11,3 kg (25 lbs.), must be secured to frame with minimum one 10 mm (3/8 inch) thread diameter bolt per 2,3 kg (5 lbs.) or two 10 mm (3/8 inch) thread diameter bolt per 11,3 kg (25 lbs.); hose clamps, wire, strapping, tape, tie wraps, etc. prohibited. Removable ballast must be in the form of metal plates, bars, straps, etc. attached as described above. A steel pipe filled with shot may be substituted; must have screw on, sealed cap(s). Ballast prohibited in cockpit. Disguised ballast prohibited.

JR 4.8 Wheelbase:

Minimum 2286 mm (90 inches); Maximum 3810 mm (150 inches) on long side. Maximum wheelbase variation from left to right; 51 mm (2 inches).

ART. 5 TYRES & WHEELS

JR 5.1 Tyres:

Rear tyres minimum 457 mm (18 inches) diameter by 190 mm (7 1/2 inches) wide, as noted by size designation on sidewall of tyre or by physical measurement at widest or tallest point. All front tyres must have a manufacturer’s maximum inflation rating. Tyres may not be inflated above manufacturer’s ratings. All tyres must be pneumatic, no solid tyres. Tyres will be visually checked for condition, pressure, etc. and must be considered free of defects by technical inspector prior to any run.

 

JR 5.2 Wheels:

Front wheels minimum 127 mm (5 inches) diameter; minimum spindle diameter 51 mm (1/2 inch). Spindle nut must utilise a cotter pin or be of the nylon-locking type. Rear wheels minimum 203 mm (8 inches) diameter. Modifications to any wheel prohibited.

ART. 6 INTERIOR

JR 6.1 Foot Box Bulkhead:

All cars must be equipped with a bulkhead in front of the driver’s feet, minimum 0,6 mm (0,024 inch) steel or 0,8 mm (0,032 inch) aluminium. Bulkhead must be directly in front or directly behind footbox diagonal.

JR 6.2 Gauges:

Tachometer, engine and exhaust temperature gauges permitted. Tachometer may monitor/display engine rpm only. Playback type tachometers and gauges permitted.

JR 6.3 Seat:

Properly braced, framed and supported seat constructed of aluminium or Fiberglas mandatory.

JR 6.4 Sheet Metal:

Drivers compartment interior must be aluminium, steel Fiberglas or carbon fibre. Magnesium prohibited.

JR 6.5 Upholstery:

Optional.

ART. 7 BODY

JR 7.1 Airfoils, Wings:

A positive locking device to prevent movement mandatory. No part to be within 152mm (6 inches) of tires. Spring-loaded spoilers, wings or canards prohibited. Adjustment of air foils wings or spoilers during run prohibited. Ball lock pins prohibited.

JR 7.2 Body:

Body and cowl must be constructed of aluminium, Fiberglas, or carbon fibre and extend forward to footbox bulkhead. Driver compartment, frame structure, roll cage, and body must be designed to prevent driver’s body or limbs from making contact with wheels, tires, exhaust system or track surface. Front overhang not to exceed 381 mm (15 inches), measured from centreline of front spindle to forward most point of car. Body must be of accepted dragster style/design. Roadster, altered, Funny Car etc. body styles prohibited. Cover or canopy over cockpit prohibited.

 

JR 7.3 Competition Numbers:

Each car in competition must display the driver’s permanent number. Minimum size 120 mm
(5 inches). Driver’s competition number and class designation must be displayed in a legible manner in a contrasting colour to the vehicle’s background colour, or light colour on windows, in prominent position, and be clearly visible to the timing tower personnel.

JR 7.4 Floor:

Full floor, mounted on top of lower frame rail cross braces, extending from driver seat forward to 150 mm (6 inches) past pedals, mandatory.

JR 7.5 Wind Deflector:

All cars must be equipped with a windscreen or deflector, to direct foreign matter over the driver’s head.

JR 7.6 Wings:

Wings must be bolted to frame structure. Pit pin attachment prohibited.

ART. 8 ELECTRICAL

JR 8.1 Battery:

Dry or wet cell permitted. Must be securely mounted outside driver’s compartment.

 

JR 8.2 Delay Boxes/Devices:

Prohibited.

JR 8.3 Ignition Shutoff:

A positive ignition shutoff located within easy reach of driver, mandatory. A second shutoff switch, located on the deflector plate 76 mm (3 inches) or less from the top of the roll cage, within easy reach of crew member or race official, mandatory. Second shutoff switch may not come in contact with driver. Shutoff switches must be positive action (no “momentary contact” switches), and must be clearly labelled “on” and “off” all connections must utilise eyelet and screw type connections; push-on type connections prohibited.

ART. 9 SUPPORT GROUP

JR 9.1 Computers:

Prohibited. A computer is defined as any device (electrical, mechanical, pneumatic, hydraulic, etc.) that activates any function of, or in any way affects the operation of, the vehicle based on measurement, sensing, processing, etc., of any data related to the performance of the vehicle. Display or transmission of any data gathered or processed, to the driver or any remote location, is prohibited.
Zie algemeen reglement 9:1 en 9:2.

 

JR 9.2 Data Recorders:

Prohibited. Any device (electrical, mechanical, pneumatic, hydraulic, optical, etc.) which assist in determining track location of the competitor’s own or opponent’s vehicle is prohibited. Only O.E.M style mirrors mounted in conventional fashion permitted.

JR 9.3 Electric Controls:

Prohibited. Electronic controls may in no way affect any functions (i.e.: line-locs, clutch, throttle, brakes, etc.). All controls must be a function of the driver.

JR 9.4 Lifting Devices:

Any form of mechanical, hydraulic or other leverage-type device for raising a car’s driving wheels off the starting lane surface is prohibited.

JR 9.5 Staging Aids/Devices: Mechanical, hydraulic, electric, pneumatic, and similar devices to aid in staging vehicle prohibited.

JR 9.6 Towing:

Anytime a Junior Dragster vehicle is being towed, the driver must be seated in the cockpit. No passengers. No full size tow vehicles permitted. A fluorescent or brightly coloured flag, attached to Junior Dragster any time vehicle is towed, mandatory. Minimum height above ground when attached 1520 mm (5 feet). Junior Dragster may not be pushed by any motorised vehicle.

JR 9.7 Two-Way Radios:

Prohibited. Any communication to and/or from driver or any telemetry signals between driver/vehicle and/or any remote location prohibited.

JR 9.8 Warm Ups:

Vehicle must be off the ground secured with an axle stands or have a driver seated in the cockpit any time the engine is running.

ART. 10 DRIVER

JR 10.1 Crendentials:

Valid KNAF Competition Licence mandatory when taking part in competition. Maximum age 17 years of age.

JR 10.2 Apparel:

Each member of a participant crew must be fully attired when present in the staging and competition areas of the racetrack. Shoes are mandatory. Short, bare legs, tank tops, or bare torsos are prohibited when driving in any class.

JR 10.3 Appearance:

Vehicles participating in drag racing events must be presentable in appearance at all times; those considered improperly prepared may be rejected by the technical inspector, or by Race director/Clerk of the course. The appearance of personnel attending contestant vehicles is equally important, and is subject to the same considerations.

JR 10.4 Arm Restraints:

Mandatory. Must be worn and adjusted in such a manner that driver’s hands and/or arms cannot be extended outside of roll cage and/or frame rails. Arm restraints shall be combined with the driver restraint system such that the arm restraints are released with the driver restraints. Refer to manufacturer for instructions.

JR 10.5 Driver Restraint System:

5-point, 44,5 mm (1 3/4 inches) wide driver restraint system mandatory. All seat belt and shoulder hardness installations must be mutually compatible, originally designed to be used with each other. For harness installation see Picture 40 in algemeen reglement 10:5. Only those units that release all five-attachment points in one motion are permitted.

When arm restraints are worn with a restraint system that utilises a “latch lever”, a protective cover must be installed to prevent arm restraint from accidentally releasing the latch lever. Protective cover not required if system utilises “duck-bill” latch hardware. All hardness sections must be mounted to the frame, crossmember, or reinforced mounting, and installed to limit driver’s body travel both upward and forward. Wrapping of belts around frame rails prohibited. Under no circumstances are bolts inserted through belt webbing permitted for mounting.

JR 10.6 Helmet:

Mandatory. Either a full a face helmet, shield or goggles mandatory.

JR 10.7 Neck Collar:

Mandatory. Must be commercially produced neck collar designed for racing. Two different types of collars are commercially available- a full 360-degree” donut” type or a pull- together “horseshoe” type. Modification according to manufacturer’s recommendations, to fit helmet and driver’s neck/shoulder spacing, permitted. Must be worn as per manufacture’s recommendations.

 

JR 10.8 Protective Clothing:

Clothes of nylon prohibited. Gloves must cover all the hands.

J/S: Abrasion resistant jacket with long sleeves, full length pants, shoes, socks and gloves, mandatory.

J/M and J/Ma: All drivers are required to wear a jacket meeting SFI Spec. 3.2A/1, abrasion resistant full length pants, shoes, socks and gloves. Or one layer FIA proved overall with nomex under shirt, abrasion resistant shoes, socks and gloves.

Mededeling Organisatie

Deze Junior Dragster Reglementen zijn afkomstig van de MSA Drag Racing Rulebook 2003.


FacebookTwitterHyvesShare

Huishoudelijk reglement – Drachten


HUISHOUDELIJK REGLEMENT 1 – DRACHTEN

Het gebruik van het vliegveldterrein is zeer onderhevig aan een goede behandeling van het terrein. Daarom dient ieder team zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van de Huishoudelijke Reglementen. Deze worden in de Informatie Enveloppen uitgereikt op het evenement. De rijder wordt verantwoordelijk gesteld voor de naleving van deze regels. De navolgende onderwerpen dienen zeer zorgvuldig behandeld te worden:
- milieuregels (laat geen afval achter, uitsluitend afval in vuilniszakken. Vuilniszakken zijn te verkrijgen bij het officials-centrum)
- drank en etenswaren mogen niet verkocht worden.
- snelheid van bikes, quads e.d.
- chemisch afval niet achterlaten op terrein, neem deze zelf mee terug.
- gebruik matten en opvangbakken bij het sleutelen om weglekken van vloeistoffen te verkomen.
- aanwezigheid van een brandblusser in tent verplicht.
- geen kampvuren of vuurkorven.

CATERAAR
De cateraar is dit jaar wederom Jan Vos catering. Op donderdagmiddag/avond zal reeds diverse drank en etenswaren gekocht kunnen worden in de snackwagen. Ook het assortiment voor dit jaar zal uitgebreider zijn dan vorig jaar. Zo zullen belegde broodjes en pistoletjes op de vrijdag, zaterdag en zondag worden aangeboden. Ook zijn deze zonder beleg te koop, om je eigen broodbeleg een goed broodje te geven. Ook zal er weer een tent aanwezig zijn waarin men onder het genot van een drankje en/of hapje een goed gesprek kan voeren. Hierin zal ook weer de huldiging plaats hebben.



DOMESTIC EVENT REGULATIONS – DRACHTEN

The use of the temporary track in Drachten is liable to how eXplosion and the participants use the airport terrain. Each team has to read the Domestic Regulations. These can be found in the INFORMATION ENVELOPPES which you recieve at the gate. The driver will be held responsible if these rules are applied by the team. The following items are very important;

Enviromental rules:
- Do not litter – dispose of litter in garbagebags which can be found at the official centre
- sellling of foods and/or beverages is prohibited
- watch the speedlimit for quads and minibikes (15km/h max!)
- do not leave any chemical disposal
- use mats and bins to prevent fluid leakage
- the precence of a fire extinguisher is manditory
- no open fires in any form!

CATERER
The caterer for this year is Jan Vos Catering. From Thursday afternoon and evening is the opportunity to buy food from the snackcar. The assorment is different than last year: from friday to sunday you can buy fresh bread with toppings. Also available without toppings, so you can enjoy your own on fresh bread and add your own. The partytent is the place where you can have a pleasant conversation while you are enjoying your fresh coffee. At the end of the event the price award ceremony will take place here.

FacebookTwitterHyvesShare

Veiligheid & Technische reglementen


Algemene Veiligheid- en Technische Reglementen 2004

*Alle tekeningen zijn te vinden op de KNAF cd-rom; of op te vragen via Dhr. T Willemse.


MEDEDELING EXPLOSION ORGANISATIE:

Alle aspecten omtrent veiligheid en techniek moeten worden gehanteerd uit het NHRA en MSA Rulebooks 2003. Deze boeken vormen dan ook de basis en leidraad voor de veiligheid in de drag race sport. Deze algemene reglementen zijn vertaald uit het NHRA reglementenboek 2002 en MSA Rulebook 2003.

De organisatie raadt iedereen aan, alvorens deze Nederlandse teksten te lezen, om de Engelse teksten te raadplegen. Bij conflicten verwijzen wij dan ook naar de originele reglementen van MSA .

Artikel 0 SFI TABEL

Artikel 1 MOTOR

1:1 Koelsysteem

1:2 Motor

1:2:1 Wankel motor

1:3 Uitlaat

1:4 Dampschermen

1:5 Brandstoftanks

1:5:1 Intercooler

1:6 Diesel

1:6:1 FIA Fuel Specification

1:7 Vloeistofoverloopinrichting

1:8 Methanol

1:9 Nitro-oxide

1:10 Olie-systeem

1:11 Propyleen-oxide

1:12 Supercharger

1:13 Supercharger beveiligingsbanden

1:14 Gaspedaal

1:15 Ontluchtingsaansluiting

Artikel 2 AANDRIJFINRICHTING

2:1 Opvanginrichting

2:2 Asborging middelen

2:3 Koppeling

2:4 Aandrijving

2:5 Vliegwiel

2:6 Vliegwiel- en carterbescherming

2:7 Vliegwielbescherming TF en FC

2:8 Vliegwielbescherming TMD en TMFC

2:9 Vliegwielbescherming Pro Stock, Pro Mod en Competition Eliminator

2:10 Vliegwielbescherming overige klassen

2:11 Achterkant

2:12 Versnellingsbak

2:13 Versnellingsbak met niet standaard planeetwielen

2:14 Automatische versnellingsbak

Artikel 3 REMMEN EN VERING

3:1 Remmen

3:2 Schokbrekers

3:3 Besturing

3:4 Vering

3:5 Traction-bars

3:6 Wheeliebars

Artikel 4 FRAME

4:1 Afstelling

4:2 Ballast

4:3 Beschermingsplaat

4:4 Frames

4:5 Grondspeling

4:6 Röntgencertificaten

4:7 Bevestigingsmiddelen

4:8 Parachutes

4:9 Pinionondersteuning

4:10 Rolbar

4:11 Rolkooi

4:12 Wielbasis

Artikel 5 VELGEN EN BANDEN

5:1 Banden

5:2 Velgen

Artikel 6 INTERIEUR

6:1 Bestuurderscompartiment

6:2 Bekleding en stoelen

6:3 Raamnet

Artikel 7 BODY

7:1 Reclame

7:2 Spoilers en vleugels

7:3 Wedstrijdnummers

7:4 Spatborden

7:5 Schutbord

7:6 Vloeren

7:7 Dakspoiler

7:8 Voorspoiler

7:9 Voorruit en ramen

Artikel 8 ELEKTRICITEIT EN BEDIENING

8:1 Accu

8:2 Vertragingsunit

8:3 Ontsteking

8:4 Hoofdonderbreker

8:5 Starten

8:6 Achterlichten

Artikel 9 HULPMIDDELEN

9:1 Computer

9:2 Datarecorder

9:2a Telemetrie

9:3 Brandblussers

9:4 Krikken en krikstanden

9:5 Lifthulpen

9:6 Groot formaat trailers

9:7 Gasflessen

9:8 Aanduwen

9:9 Sleepwagen

9:10 Portofoon

9:11 Opwarmen

Artikel 10 RIJDER

10:1 Uitrusting

10:2 Uiterlijk

10:3 Armbeveiliging

10:4 Papieren

10:5 Rijders veiligheidsgordels systemen

10:6 Hoofdbescherming

10:7 Helmen en brillen

10:8 Halskragen

10:9 inzittenden

10:10 Beschermende kleding

10:11 Veiligheidsgordels

ALGEMEEN REGLEMENT

Elke wagen, ongeacht welke klasse of categorie, moet goedgekeurd worden door de keurmeester voordat aan de wedstrijd mag worden deelgenomen. Dit geldt ook bij testsessies.

In dit reglement wordt een aantal keer verwezen naar bepaalde producten die voldoen aan specificaties, zoals bijvoorbeeld SFI specificaties, SNELL en DOT. Het is belangrijk te weten dat deze producten onder geen enkele voorwaarden mogen worden aangepast omdat ze dan niet meer aan deze specificatie voldoen en niet worden goedgekeurd.


Artikel 0 SFI TABEL

GSR 0:1 Expiration Periods SFI Specifications, Quick-Guide

Expiration Period

SFI Spec. Number

Description

Pro Mod & Adv. ET

FIA Classes

All Other Clases

1.1

Single Disc Clutch & Flywheel Assembly

1.2

Multi-Disc Clutch & Flywheel Assembly

2 years

2 years

4 years

1.3

Multi-Disc Clutch & Flywheel Assembly TMFC, TMD, FC & TF

1 year

1 year

1 year

1.4

Multi-Disc Clutch & Flywheel TMFC & TMD

1 year

1 year

1 year

1.5

Multi-Disc Clutch & Flywheel, Supercharged, Turbocharged, Nitrous charge door cars

1 year

1 year

1 year

2.2A

Front engine Dragster Chassis Spec., ET 1, TMD & TF

1 year

1 year

2.2B

Front Engine Dragster Chassis Spec., Comp A/D, B/D, AA/D, BB/D & BN/D

1 year

3 years

2.3K

Rear Engine Dragster

1 year

2 years

2.3K

Rear Engine Dragster, TMD & TF (including wing & rear mounting)

1 year

1 year

2.3K

Rear Engine Dragster, Comp A/D, B/D, AA/D, BB/D & BN/D (does not include wing & rear end mounting)

1 year

3 years

2.4A

Front Engine Dragster Spec. ET 1 cars 7.49 sec. or quicker

1 year

3 years

2.5

Rear Engine Dragster Spec. ET 1 cars 7.49 sec. or quicker

3 years

2.6

Front Engine Dragster Spec. ET 1 cars 7.50 sec. or slower

3 years

2.7

Rear Engine Dragster Spec. ET 1 cars 7.50 sec. or slower

3 years

3.2A/1

Jacket

3.2A/5

Jacket and Pants

3.2A/15

Jacket and Pants or Suit

3.2A/20

Driver Suit

3.3

Neck Collar and Head Sock

3.3/1

Gloves, Shoes

3.3/5

Gloves, Shoes, Boots

3.3/15

Gloves, Boots

4.1

Automatic Transmission Shield, Rigid

5 years

5 years

10 years

4.1

Automatic Transmission Shield, Flexible

5 years

5 years

5 years

6.1

Flywheel Shield, Spec. 1.1 & 1.2 (2 disc max.) Clutch

5 years

5 years

5 years

6.2

Flywheel Shield, Spec. 1.2, 1.3 & 1.4 Clutch (check with Manufacturer, may be only 1 year

2 years

See FIA Regs

2 years

6.3

Flywheel Shield, Spec. 1.2, 1.3, 1.4 & 1.5 Clutch (check with Manufacturer, may be only 1 year

2 years

See FIA Regs

2 years

7.1

Lower Engine Ballistic/Restraint Device

1 year

See FIA Regs

1 year

10.1D

Funny Car, Altered & Front Engine Dragster Chassis Spec., ET 1 cars Comp A/A, B/A, AA/A, BB/A, AT/A & BT/A

1 year

See FIA Regs

2 years

14.1

Supercharger Restraint (Roots)

4 years

14.2

Supercharger Restraint (Roots)

2 years

See FIA Regs

4 years

14.21

Supercharger Restraint (Screw type)

See FIA Regs

14.3

Supercharger Restraint Top Fuel & Funny Car

See FIA Regs

14.4

Valve cover Restraint

Expiration Period

SFI Spec. Number

Description

Pro Mod & Adv. ET

FIA Classes

All Other Clases

15.1

Rear Drive Wheels, TMD, TMFC, PS, PM

15.2

Front Wheels

15.3

Rear Wheels

16.1

3-inch Driver Restraint System

2 years

See FIA Regs

2 years

18.1

Harmonic Balancer

23.1

Manifold Burst Panel

25.1D

SFI Full Body Chassis Spec. Pro Stock, Pro Mod, ET 1 cars Comp A/A, B/A, AA/A, BB/A, AT/A & BT/A

1 year

See FIA Regs

2 years

27.1

Window Net (Mesh or Ribbon)

2 years

See FIA Regs

2 years

28.1

Fuel Cell

29.1

Automatic Transmission Flexplate

3 years

See FIA Regs

3 years

30.1

Automatic Transmission Flexplate Shield

5 years

See FIA Regs

5 years

31.1A

Open Face Helmet SNELL SA Rating

31.2A

Full Face Helmet SNELL SA Rating

34.1

Supercharger, Screw type

See FIA Regs

40.1/1

Motorcycle Riders Suit

40.1/2

Motorcycle Riders Suit

41.1A

Open Face Helmet SNELL M Rating

41.2A

Full Face Helmet SNELL M Rating

42.1

Steering Wheel Hub

45.1

Roll Bar/Cage Padding

Class rules and General Safety Rules have always priority over this quick-quide.


Artikel 1 MOTOR

1:1 Koelsysteem

Alle radiatoren moeten op de standaardlocatie worden aangesloten die voor dat type auto worden gebruikt. Dragsters met voorliggende motor moeten het koelsysteem vóór de motor plaatsen. Achterliggend gemonteerde motoren met ervoor gemonteerde radiatoren dienen de radiator over de gehele lengte af te schermen zowel aan de zijkant als aan de bovenkant. Zie algemeen reglement 4:3.

1:2 Motor

Alle klassen mogen alleen standaard geproduceerde motoren gebruiken mits in de klassenvoorschriften anders aan gegeven. Deelnemers die in een gewicht – cilinderinhoud klasse uitkomen moeten de cilinderinhoud juist vermelden. De cilinderinhoud mag bij nameting maximaal 5 kubieke inches teveel meten ook als er overmaatse zuigers worden toegepast. Bij nameting wordt altijd naar boven afgerond. Bijvoorbeeld 301,2” wordt 302”. Als de cilinderinhoud tijdens de wedstrijd wordt gewijzigd dient dit bij de Technische wedstrijdleiding te worden gemeld voordat een run wordt gemaakt. Het krukasmidden mag nooit boven de 610 mm (24”) vanaf de grond liggen. Alleen in de standaard truck klasse mag dit maximaal 914 mm (36”) zijn. Het motorblok moet met minimaal twee 10 mm (3/8”) diameter bouten klasse 5 aan het frame zijn bevestigd. Kleppen dienen middels normale klepveren bediend te worden. Pneumatische klepbediening is in alle klassen verboden. Alle klassen met uitzondering van standaard- en index klassen langzamer dan 10,99 seconden dienen van een stabilisatorstang te zijn voorzien volgens SFI specificatie 18.1. Alle auto’s die op geperste stabilisatorstangen gebruiken dienen deze tegen verlies te borgen met een bout en een moer of door middel van doorboorde bouten met ijzerdraad geborgd.

1:2:1 Wankel motor

De motor inhoud van een wankelmotor moet vermenigvuldigd worden met factor 2.2.

TEKENING 1:2

1:3 Uitlaat

Alle auto’s dienen van uitlaten te zijn voorzien zodat uitlaatgassen naar de achterzijde worde afgevoerd. Uitlaten moeten met een metalen strip worden doorverbonden om te voorkomen dat een of meer pijpen tijdens de rit verloren gaan. Flexibele pijpen zijn verboden in het uitlaatsysteem. Als er dempers worden gebruikt moeten ze veilig bevestigd zijn aan de uitlaat en de auto. Om de drag sport te kunnen blijven uitoefenen dienen alle volgende klassen (Street Machines ET, Super Street, Super Gas en Super Comp) van een goedgekeurd uitlaatsysteem te zijn voorzien.

1:4 Inlaatbescherming

Carburateur-inlaten mogen niet open naar buiten zijn. Onder de motorkap dienen carburateurs te zijn voorzien van een filter of inlaatkelken die de bovenzijde en de achterkanten afschermen, zodat er geen brandstof in het gezicht van de bestuurder kan komen of iets in de luchtstroom kan worden gezogen. Daarbij dient iedere auto die door de pitstraat wordt gereden met open inlaten, te worden afgeschermd tegen vuil.

1:5 Brandstoftanks

Alle brandstoftanks, leidingen, pompen, kleppen en dergelijke dienen buiten de bestuurderscabine te worden geplaatst maar wel binnen het frame van de eventuele body. Koeltanks in volbody auto’s dienen minimaal 152 mm (6”) voor het brandscherm te zijn geplaatst. Brandstofverdelerblokken dienen minimaal 152 mm (6”) vanaf het vliegwiel of cardanhuis te worden gemonteerd. Als het in een bepaalde klasse is toegestaan dat de brandstoftank buiten de body of het frame geplaatst mag worden dient de brandstoftank in een stalen frame te worden ingebouwd met een minimale dikte van 32 mm x 1,65 mm (1 1/4” x 0,065”) chroommolybdeen of 3 mm (0,118”) staal te worden bevestigd. Alle brandstoftanks dienen van het bestuurders compartiment te zijn gescheiden door een brandwerend scherm. Alle tanks dienen te zijn voorzien van een drukventiel en de ventilatie dient buiten de body te worden afgevoerd. Bij alle open wagens dient er een draaisluiting op de brandstoftanks te zijn aan gebracht. Brandstoftanks mogen niet worden geïsoleerd. Als er brandstofcellen worden gebruikt dienen deze een metalen omhulsel te hebben voor dat gedeelte van de brandstofcel die buiten het chassis op de body valt en de leidingen mogen aan achterzijde vrij worden aangesloten.

TEKENING 1:5

BRANDSTOFLEIDINGEN

Alle niet standaard leidingen, brandstof- leidingen maar ook motor – of telemetriekabels dienen van metaal of staal geweven omhulsel te zijn voorzien. Er mag maximaal 305 mm (12") van de totale kabel niet zijn voorzien van beschermende leidingen. Dit mag alleen voor aansluitingsdoeleinden. Losse injectorleidingen zijn hiervan uitgesloten. Brandstofleidingen die niet van geweven staalommantelingen zijn voorzien dienen bij het vliegwiel of cardan te worden afgeschermd door een leiding met een minimale dikte van 3,20 mm (1/8”). De leidingen dienen deugdelijk te zijn bevestigd om scheuren te voorkomen. Het is verplicht dat brandstofleidingen die langs een supercharger-riem lopen op dezelfde wijze worden afgeschermd. Brandstofleidingen mogen niet door de cardantunnel worden geleid.

POMPEN EN KLEPPEN

Auto’s met niet standaard mechanische brandstofpompen moeten van een snelwerkende afsluitklep zijn voorzien die goed toegankelijk is voor de bestuurder. De afsluitklep dient in de hoofdleiding tussen tank en carburateur of injector te worden geleid. Niet standaard brandstof terugvoerleidingen zijn niet toegestaan. Alle auto’s in Competition Eliminator, Pro Mod en Pro Stock klasse moeten zijn voorzien van een aftapkraan die aangesloten zit tussen de benzinetank en carburateur of injector zodat er brandstofmonsters kunnen worden genomen.

BRANDSTOF/LUCHT

Elke vorm van kunstmatige koeling of verwarming van brandstof is verboden (bijvoorbeeld door middel van koeltanks, freon, ijs of natte lappen) of het moet in het klasse reglement zijn toegestaan. Koeltanks, freon ijs of natte lappen zijn toegestaan in alle Super en indexklassen. Natte lappen, doeken, ijs en dergelijke moeten worden verwijderd voordat het voertuig het startgebied verlaat. Alleen omgevingsluchttemperatuur is toegestaan. Het koelen of anderszins wijzigen van de inlaatluchttemperatuur is verboden.

ALTERNATIEVE BRANDSTOFFEN

Tanks voor alternatieve brandstoffen dienen door de fabrikant gelabeld te zijn voor gebruik van CNG-propaan. De vulopening van de tank dient buiten het chassis te zitten. Alternatieve brandstofsystemen dienen een geïntrigeerd veiligheidsventiel te hebben volgens de NFDA52-norm voor CNG-voertuigen. Alle leidingen en afsluitkleppen die worden gebruikt voor alternatieve brandstoffen dienen gelabeld te zijn door de fabrikant. Tevens moet de naam van de fabrikant aangegeven zijn en dient het serviceniveau en toegestane druk te zijn aangegeven. Leidingen die gemaakt zijn van nylon, gegoten ijzer, gegalvaniseerd koper of aluminium zijn niet toegestaan.

1:5:1 Intercooler

Toevoeging van brandstof vóór de intercooler is niet toegestaan.

1:6 Diesel

Diesel wordt voor dit reglement omschreven als een mengsel van koolwaterstoffen. Alle niet koolwaterstoffen die het vermogen doen toenemen zijn niet toegestaan. Alle niet koolwaterstoffen die het vermogen niet doen toenemen zijn toegestaan als ze niet meer dan 0,15% volume innemen en door de fabrikant aan de dieselolie zijn toegevoegd. Diesel heeft een hoog-ohmige weerstand. Deze weerstand wordt weergegeven door zijn isolerende waarde. Diesel dient een ohmse weerstand van 2,025 Ohm te hebben. Dit komt overeen met de nulwaarde op de brandstofcontrolemeter. Diesel wordt getest en gecertificeerd door middel van verschillende chemische analyses door daarvoor geautoriseerd personeel. De diesel van een voertuig kan voor een run worden getest.

1:6:1 FIA Fuel Specification

Zie FIA Jaarboek.

1:7 Vloeistofoverstroominrichting

Alle auto’s die voorzien zijn van een vorm van waterkoeling dienen een opvangtank te hebben die voorkomt dat er water op de baan wordt gemorst. De tank moet minimaal een inhoud hebben van 0,5 liter. De opvangtank dient veilig vastgezet te zijn door middel van bouten of klemmen. Het overtollige water mag ook in de spruitstukken worden gespoten bij superchargers of auto’s die op nitro-methaan of alcohol rijden.

1:8 Methanol

Methanol is een heldere kleurloze vloeistof met een lichte geur bij omgevingstemparatuur. Er worden twee types methanol verkocht en wel A en AA. Beide versies zijn in competitie toegestaan. De teams dienen er voor te zorgen dat de methanol aan de volgende voorwaarden voldoet:

Specificaties voor pure methanol:

Eigenschappen Klasse A Klasse AA

Methanol, min. gewicht % 99,85 99,85

Aceton en aldehyde, max. 30 30

Aceton, max. 20

Ethanol, max. 10

Zuur, max. 30 30

Waterinhoud, max. 1500 1000

Soortelijk gewicht bij 20°C .7928 .7928

, minuten 30 30

Geur karakteristiek

Distillatie bij 1010 hPa Niet meer dan 1°C, incl.

(760 mm Hg) 64.6 +/- 0,1°C bij 760mm Hg

Kleur, platinum-cobalt schaal, mix 5 5

Uiterlijk helder kleurloos

Neerslag na verdamping, g/100ml ,001 ,001

Verbrandbare verontreinigingen

Kleur platinum-cobalt schaal, max. 30 30

Methanol wordt door de wedstrijdorganisatie getest door het toevoegen van diverse chemicaliën door de tester van de brandstof. Om te kunnen racen dient aan de in bovenstaande tabel opgegeven hoeveelheden te worden voldaan. Elke afwijking van deze tabel leidt tot diskwalificatie. Omdat methanol een hygroscopische vloeistof is wordt het vocht in de lucht aangetrokken en opgenomen in de methanol. Hierdoor kan de methanol niet meer voldoen aan de reglementen. Racers worden gewaarschuwd hier rekening mee te houden en methanol zo goed mogelijk afgesloten te bewaren en worden verder aangeraden om hun brandstof te laten testen bij eventuele twijfel.

1:9 Lachgas (Nitro-oxide)

Lachgas (Nitro-oxide) is toegestaan in Street Machines ET, alle “Super” klassen, Competition Eliminator klassen AN/A, BN/A, CN/A, DN/A en BN/D en Pro Mod. Kijk ook bij specifieke klasseneisen en specificaties. De toevoeging van andere stoffen dan lachgas, als onderdeel van óf gemengd met, met dit druksysteem is strikt verboden. Alle flessen dienen verzekerd vast te zitten en alleen cilinders die gecertificeerd zijn voor gebruik als brandstofreservoir met de daarbij behorende druk zijn toegestaan. Dit geldt voor elke voertuig met een lachgasinstallatie. Alle flessen moeten voorzien zijn van een breekplaat of veiligheidsventiel om overdruk te voorkomen.

De aanvoerleiding van de fles naar de solenoid moet van staal óf hoge kwaliteit gevlochten metaal teflonslang, zoals Aeroguip, zijn. De aanvoerleidingen moeten goed vastgezet worden op elke 152 mm (6”) met onbrandbare clips of andersoortige niet brandbare bevestigingsmateriaal.

De slang moet buiten de auto langs gevoerd worden bij een auto met gesloten cockpit en bij een open cockpit zover mogelijk van de rijder afverwijderd. Waar het de rijder passeert moet de slang uit één lengte bestaan tussen vóór en achterkant van de cabine.

Alle koppelingen moeten schroefkoppelingen zijn. Alle systemen moeten voorzien zijn van een regeling die voorkomt dat het systeem geactiveerd kan worden, voordat het gaspedaal bediend wordt.

Een `Waarschuwingslampje´, duidelijk voorzien van een label met N2O, moet in het solenoid circuit zitten, zodat die aangaat wanneer het lachgassysteem geactiveerd is.

Lachgasflessen die in het rijders compartiment bevinden, moeten uitgevoerd zijn met een ontluchtingsklep, die naar buiten toe gas afblaast. Alle voertuigen met een lachgas systeem moeten een sticker hebben zoals aangegeven in FIGUUR 2. Deze sticker moet duidelijk zichtbaar zijn en op een plaats zitten vlakbij het race nummer en waar deze niet beschadigd kan raken bij een situatie van een ongeluk.

TEKENING FIGUUR 2

Het systeem moet commercieel verkrijgbaar zijn en geïnstalleerd worden volgens de aanwijzingen van de fabrikant. Flessen mogen niet geïnstalleerd worden in het motorgedeelte. Uitzonderingen op deze regels moeten vermeld staan in de specifieke klassen reglementen.

Het ontluchten en bijvullen van de lachgasflessen zal zeer zorgvuldig moeten gebeuren. Het extern opwarmen van de flessen met open vuur is strikt verboden. Alleen opwarmen met heet water óf een elektrische deken is voor dit doeleind toegestaan.

GEADVISEERDE CONTROLE:

Geadviseerd wordt voor een gasdicht systeem om te controleren op lekkage, terwijl de cilinder geopend is. De solenoid die het systeem uitschakelt moet gecontroleerd worden met de fles volledig open, door het gaspedaal in te drukken en te controleren of lachgas vrijkomt. Alle lachgasleidingen moeten worden ontkoppeld en leeg gelaten in open lucht. Alle brandstof solenoids moeten elektrisch uitgeschakeld zijn.

Vervolgens moet het gaspedaal losgelaten worden tot halfgas en in die positie gehouden worden. Dit moet de solenoid ontkoppelen aangezien deze geactiveerd wordt door de gasschakelaar, waardoor de gas toevoer wordt uitgeschakeld. Meer controles moeten worden gemaakt om er zeker van te zijn dat het ontsnappen van gas niet hoorbaar is.

1:10 Olie-systeem

Accubakken, opvangtanks, oliefilters en olietoevoerleidingen mogen niet door het bestuurderscompartiment lopen of buiten het chassis vallen. Oliedrukmeters en leidingen zijn toegestaan als er gebruik wordt gemaakt van metalen of metaal-ommantelde leidingen met een maximale diameter van 5 mm (3/16”) binnendiameter. Vermogens-toevoegende maatregelen zijn niet toegestaan.

1:11 Propyleen-Oxide

Het gebruik van propyleen-oxide is in alle klassen verboden.

1:12 Superchargers

‘ROOTS’-TYPE:

maximaal toegestane afmeting is 14-71 en de rotorkast mag een maximale lengte hebben van 483 mm (19”). De maximale breedte is 286 mm (11¼”). ‘Roots’-compressors moeten een minimale wanddikte hebben van 6,35 mm (¼”). De bovendeksel dient ook minimaal 6,35 mm (¼”) dik te zijn. De onderdeksel heeft een minimum dikte van 7,6 mm (0,300”). Het rotorhuis mag inwendig een maximale diameter hebben van 148,34 mm (5,840”). De schoephoek van de rotor mag niet groter zijn dan 4° per inch (standaard 71 serie GM). De maximum versnelling mag niet meer zijn dan 70%. Aluminium steunen tussen supercharger en inlaat zijn verplicht. Zie verder algemeen reglement 1:13 en de specifieke klasseneisen voor de breekplaat en de beveiligingsband bevestigings specificaties;

‘ROOTS’-TYPE MET GROTE SPOED:

Deze moeten voldoen aan dezelfde buitenafmetingen als hierboven vermeld. De rotorspoedhoek mag niet meer zijn dan 6,5° per inch. Dus 123,5° bij de maximale lengte van 483 mm (19”). Grote spoed superchargers zijn alleen toegestaan voor TMD en TMFC. Ze zijn verboden in alle andere klassen. De maximale versnelling mag niet meer zijn dan 70%. Aluminium steunen tussen supercharger en inlaat zijn verplicht. Zie algemeen reglement 1:13 en de specifieke klasseneisen voor de breekplaat en de beveiligingsband bevestigings specificaties;

SCHROEF-TYPE:

Deze dienen te voldoen aan SFI specificatie 34.1. De maximale lengte is 406 mm (16”). De maximale breedte is 406 mm (16”) met een minimale wanddikte van 6,35 mm (¼”).De onderdeksel heeft een minimum dikte van 7,6 mm (0,300”). Het toepassen van een schroef-compressor is alleen toegestaan voor TMD en TMFC. Onder geen beding mag een schroefcompressor een hoger toerental draaien dan het maximum uit de tests van de fabrikant/SFI is aangegeven. Overdrukventielen dienen van een goedgekeurd type te zijn volgens SFI specificatie 23.1 en een vertragingskast volgens SFI specificatie 14.21 is verplicht. Aluminium steunen tussen supercharger en inlaat is verplicht. Versnellingslimieten als die door de FIA of MSA zijn vast gesteld zijn afhankelijk van het vermogen.

ALLE TYPEN SUPERCHARGERS:

Variabele multi-snelheid superchargers zijn verboden ongeacht het supercharger type. Alle superchargers moeten verplicht zijn voorzien van een afscherming van de olie- en brandstofleidingen die in de buurt van de supercharger lopen.

1:13 Supercharger beveiligingsbanden

Supercharger beveiligingsbanden moeten voldoen aan SFI specificatie afhankelijk van de klassenreglementen.
Bij TF en FC moeten de banden voldoen aan SFI specificatie 14.3; TMD, TMFC, PM en ET auto´s die sneller gaan dan 7,50 sec. moeten voor de Roots-type de beveiligingsbanden voldoen aan SFI specificatie 14.2. Bij de klassen TMD en TMFC met een S chroef-type moeten zij voldoen aan SFI specificatie 14.21.

Bij Competition Eliminator, Super Street, Super Gas, Super Comp en de op methanol rijdende ET auto´s moeten de beveiligingsbanden voldoen aan SFI specificatie 14.1. Zie ook de eigen klassen specificaties.

1:14 Gaspedaal

Alle voertuigen dienen een gaspedaal te hebben die door middel van een veer wordt gesloten. Tevens dient er een rechtstreekse aansluiting met de carburateur of injector te zijn. Verder dient er een stop aangebracht te zijn die voorkomt dat het gas open kan blijven staan. Als er een aangepast verbindingssysteem wordt gebruikt dient het gas met de voet gesloten te kunnen worden. Bij kabel- en hydraulische bediening is dit niet noodzakelijk. De bediening van het gaspedaal dient door de voet te kunnen worden gedaan, elke andere manier van bedienen door elektronica, lucht of hydraulische leidingen is niet toegestaan. Bediening door middel van kabels is toegestaan. Goedgekeurde handbediening bij lichamelijk gehandicapten is toegestaan. Choke kabels en gesoldeerde of gelaste aansluitingen op stalen kabel is niet toegestaan. Geen onderdeel van het gaspedaal mag onder het frame uitkomen.

1:15 Ontluchtingsaansluiting

De ontluchtingsaansluiting is verplicht wanneer in het klassenreglement dit is aangegeven en dit toegestaan is voor alle voertuigen. Alle ontluchtingsaansluitingen dienen in een opvang bak uit te monden en hiermee vast te worden verbonden. De opvangtank dient een minimum grootte te hebben van 3,8 liter óf kleiner indien dit in het klassenreglement is aangegeven. De opvangtank moet zijn beveiligd tegen overstromen. Een kijkglas óf kijkbuis wordt aanbevolen om te controleren of de tank leeg is voordat de run aanvangt. Ontluchtingsleidingen dienen goed bevestigd te worden, dit mag niet gebeuren door middel van ty-rips. Ook dient er gebruik gemaakt te worden van slangklemmen.


Artikel 2 AANDRIJFINRICHTING

2:1 Opvanginrichting

Indien verplicht in een klasse dient er een beugel of inrichting te zijn die voorkomt dat de aandrijfriem of carterbescherming achterwaarts kan worden weggeslagen als de koppeling of het vliegwiel explodeert. De beugel moet gemaakt zijn van 4130 chroommolybdeen (of Reynolds 531) buis met een minimum maat van 22,2 mm (0,875”) buitendiameter en een wanddikte van 2,1 mm (0,083”) en dient te worden bevestigd met 10 mm (3/8”) bouten. Kogelafsluitpennen zijn niet toegestaan.

TEKENING 7

2:2 Asborgingsmiddelen

Alle auto’s behalve standaard en sommige ET klassen (indien in het reglement is aangegeven) moeten voorzien zijn van een degelijke achteras borging met een minimum afmeting van 3 mm (0,120”) aluminium of 2,3 mm (0,090”) stalen lager borging. Standaard C-klip asborgingen zijn verboden zoals omschreven in de klassenreglementen.

2:3 Koppeling

Elk voertuig in competitie behalve die met een automatische versnellingsbak moeten worden uitgevoerd met een voetbediende koppeling en een stopmechanisme zodat niet voorbij de neutraal kan worden gekoppeld. Alle pedalen moeten zijn voorzien van slipvrij materiaal. Voor gehandicapten kunnen handbediende koppelingen worden goedgekeurd. Alle slider-koppelingen moeten voldoen aan de SFI specificaties 1.2, 1.3, 1.4 zoals omschreven in de klassenreglementen.

2:4 Aandrijving

Iedere auto waarvan de bestuurder op of achter het middengedeelte van de cardan zit dient van een beschermplaat te zijn voorzien van een staalplaat met een minimale dikte van 3 mm (0,120”) die stevig bevestigd dient te worden tussen achteras en cardanhuis. Voor rechte cardankoppelingen is een aluminium plaat met een minimum dikte van 1,6 mm (0,063”) voldoende. Deze dient een inspectieluik te hebben ter controle of verwijdering van de koppeling. Deze plaat dient stevig bevestigd te zijn tussen de achteras en het cardanhuis, of zoals is aangegeven in de klassen reglementen. In plaats van een dwarsbalk in de buurt van de voorste cardankoppeling dienen alle auto’s die een open cardanas gebruiken te zijn voorzien van een veiligheidsbeugel die de cardanas rondom (360°) moet borgen. Deze beugel dient een minimale dikte te hebben van 6 mm (¼”) en 51 mm (2”) breedte aluminium of indien van gelaste stalen buis 22 mm (7/8”)x 1,65 mm (0,065”). Deze veiligheidsbeugel dient op maximaal 152 mm (6”) van de voorste cardankoppeling te worden aangebracht. Aanbevolen wordt de veiligheidsbeugel rond in plaats van rechthoekig óf ovaal te laten zijn om de last/druk op de veiligheidsbeugel te minimaliseren. Een open cardan die langs een lichaamsdeel van de bestuurder loopt dient te worden afgeschermd door een stalen plaat met een minimum dikte van 3 mm (1/8”). Deze plaat dient stevig bevestigd te worden aan het frame.

TEKENING 2:4

2:5 Vliegwiel

Het gebruik van een standaard gegoten ijzeren vliegwiel of een vliegwiel dat is opgebouwd uit platen is niet toegestaan. Het gebruik van aluminium vliegwielen is niet toegestaan in TF en FC. Het vliegwiel dient te voldoen aan SFI specificaties 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 of indien anders aangegeven in het klassen reglement.

2:6 Vliegwiel- en Carterbescherming

Algemeen

Er mogen geen wijziging worden aangebracht aan een standaard ontwerp vliegwielbescherming en/of –voering, zoals omschreven in SFI specificaties 6.1, 6.2 en/of 6.3. Titanium carters dienen elk jaar geïnspecteerd en goedgekeurd te worden. SFI specificatie 6.2 en 6.3 stalen carters moeten elke twee jaar worden gecontroleerd en worden goedgekeurd in TF, FC, TMD. TMFC, Pro Stock, Pro Mod en ET auto´s sneller dan 7,50 seconde. In alle andere klassen elke vier jaar. SFI specificatie 6.1 stalen carters dienen elke vijf jaar opnieuw te worden geïnspecteerd en goedgekeurd in Pro Stock, Pro Mod en ET auto´s sneller dan 7,50 seconde. In alle andere klassen elke tien jaar. De vliegwiel beschermer dient te worden bevestigd aan de motor en het carterdeksel op alle door de fabrikant aangegeven boutgaten met hardheid type 8 bouten of speciale tapeinden. Het gebruik van inbusbouten voor het vastzetten van de plaat of andere beschermingsdeksels is verboden. Alle bouten die gebruikt worden moeten herkenbaar zijn door het keur waarmee ze zijn voorzien. Alle toegepaste bouten, moeren en tapeinden dienen minimaal de afmeting van de standaard toegepaste uitvoering hebben. Holle boeten, halve moeren en dunwandige moeren mogen niet worden toegepast. De maximum diepte van de vliegwiel bescherming is 219 mm (8 5/8”) behalve bij TF en FC waar de diepte maximaal 239 mm (9,4”) binnenwaarts is. De minimale wanddikte van alle beschermingsplaten is 12,7 mm (½”). Alle beschermingsplaten die bij het vliegwiel zitten dienen voor het starten van de motor aangebracht te zijn, ook bij het warmdraaien. De maximale ruimte tussen de flens en het vliegwielhuis is 178 mm (7”). Het etsen of op elke andere manier verzwakken van de vliegwielbescherming is verboden. Het lassen ter reparatie van de vliegwielbescherming is verboden mits uitgevoerd door de fabrikant en gehercertificeerd door de fabrikant voor het gebruik. Koelgaten in de motorplaat mogen niet groter zijn dan twee 51 mm (2”) gaten (buiten het olie carter) SFI 6.2. Vliegwiel beschermingsplaten mogen een 51 mm (2”) gat hebben aan de onderzijde van het scherm. De opening in de motorplaat van de krukas mag niet groter zijn dan de dikte van de krukas plus 25,4 mm (1”).

2:7 Vliegwielbescherming

Top Fuel en Funny Cars

TF en FC die uitgerust zijn met een koppeling moeten een vliegwiel bescherming hebben die voldoet aan de SFI specificaties 6.2 en dient ook als zodanig gelabeld te zijn. Verder dient een uit één geheel bestaande motorplaat met een dikte van minimaal ¼” chroommolybdeen staal te bestaan en bevestigd te zijn volgens de specificaties van het SFI reglement hoofdstukken 2.2a, 2.3h of 10.1c. De motorplaat dient bevestigd te zijn aan het chassis op vier hoeken met minimaal twee gelaste bevestigingsogen die de plaat met minimaal twee 3/8” bouten keur 5 worden bevestigd. De twee andere bevestigingspunten moeten met minimaal zadelverbindingen aan het frame zijn bevestigd en degelijk zijn geborgd, niet door middel van slangklemmen. De vliegwielbescherming en de carterplaat dienen met minimaal 7 bouten van hoogwaardige kwaliteit staal (of titanium) met een minimale diameter van 7/16” te worden bevestigd. De carterplaat dient met minimaal 8 bouten van 7/16” keur 8 bevestigd te worden aan de motor, bij bevestigingen onder het midden van het vliegwiel mogen ze worden bevestigd met bouten van een hoogwaardige legering of titanium steunen. De vliegwielbescherming moet ook aan de carterplaat bevestigd worden met minimaal 8 bouten van een hoogwaardige legering of titanium, één en ander volgens SFI specificatie 2.3f of 10.1c. Er dient een verstevigingsring in het vliegwielhuis te zitten van minimaal 0,090” 4130 staal of titanium met de breedte van het ronde gedeelte van het vliegwielhuis. Deze ring moet aan elkaar worden gelast zodat hij mee kan draaien, er mag ook nog een aluminium bout worden toegepast die de ring onder normale omstandigheden vasthoudt aan het vliegwielhuis. Zoals beschreven in hoofdstuk 2:6 mag er geen enkele aanpassing of verandering worden aangebracht aan het cardanhuis behalve dan door de fabrikant van het cardanhuis en moet na verandering door de fabrikant opnieuw goedgekeurd worden. Ook koppelingsafstel-slots, onderhoudsgaten en deksels dienen door de fabrikant te zijn aangebracht.

TEKENING 2:7

2:8 Vliegwielbescherming

Top Methanol Dragster & Top Methanol Funny Car

TMD en TMFC die uitgerust zijn met een koppeling moeten een vliegwiel bescherming hebben die voldoet aan de SFI specificaties 6.2 en dient ook als zodanig gelabeld te zijn. Verder dient een uit één geheel bestaande motorplaat met een dikte van minimaal ¼” chroommolybdeen staal te bestaan en bevestigd te zijn volgens de specificaties van het SFI reglement hoofdstukken 2.2a, 2.3h of 10.1c. De motorplaat dient bevestigd te zijn aan het chassis op vier hoeken met minimaal twee gelaste bevestigingsogen die de plaat met minimaal twee 3/8” bouten keur 5 worden bevestigd. De twee andere bevestigingspunten moeten met minimaal zadelverbindingen aan het frame zijn bevestigd en degelijk zijn geborgd, niet door middel van slangklemmen. De vliegwielbescherming en de carterplaat dienen met minimaal 7 bouten van hoogwaardige kwaliteit staal (of titanium) met een minimale diameter van 7/16” te worden bevestigd. De carterplaat dient met minimaal 8 bouten van 7/16” keur 8 bevestigd te worden aan de motor, bij bevestigingen onder het midden van het vliegwiel mogen ze worden bevestigd met bouten van een hoogwaardige legering of titanium steunen. De vliegwielbescherming moet ook aan de carterplaat bevestigd worden met minimaal 8 bouten van een hoogwaardige legering of titanium, één en ander volgens SFI specificatie 2.3f of 10.1c. Er dient een verstevigingsring in het vliegwielhuis te zitten van minimaal 0,090” 4130 staal of titanium met de breedte van het ronde gedeelte van het vliegwielhuis. Deze ring moet aan elkaar worden gelast zodat hij mee kan draaien, er mag ook nog een aluminium bout worden toegepast die de ring onder normale omstandigheden vasthoudt aan het vliegwielhuis. Zoals beschreven in hoofdstuk 2:6 mag er geen enkele aanpassing of verandering worden aangebracht aan het cardanhuis behalve dan door de fabrikant van het cardanhuis en moet na verandering door de fabrikant opnieuw goedgekeurd worden. Ook koppelingsafstel-slots, onderhoudsgaten en deksels dienen door de fabrikant te zijn aangebracht.

2:9 Vliegwielbescherming

Pro Stock, Pro Mod en Competition Eliminator

Pro stock, Pro Mod en Competition auto’s voorzien van een enkel- of dubbelplaats koppeling moeten een vliegwiel bescherming hebben die voldoet aan de SFI specificaties 6.1, 6.2 of 6.3 en ook als zodanig gelabeld zijn. Pro stock, Pro Mod en Competition auto’s die voorzien zijn van meer dan twee koppelingsplaten moeten voldoen aan de SFI specificatie 6.2 of 6.3 en ook als zodanig gelabeld zijn. Zoals beschreven in hoofdstuk 2:6 mag er geen enkele aanpassing of verandering worden aangebracht aan het cardanhuis behalve dan door de fabrikant van het cardanhuis en moet na verandering door de fabrikant opnieuw goedgekeurd worden. Ook koppelingsafstelslots, onderhoudsgaten en deksels dienen door de fabrikant te zijn aangebracht. Een motorplaat met een minimum dikte van 3,2 mm (1/8”) staal, titanium, of 2024T3 (of A-U4G1, AlCuMg2, L.97, L.98), 6061T6 (of H20) of 7075T6
(of A-Z5GU, AlZnMgCu1.5, L.95, L.96) aluminium is vereist. De vliegwielbescherming en de motorplaat dienen met alle aanwezige boutgaten óf zoals door de fabrikant is gespecificeerd of met een minimale diameter van 9,53 mm (3/8”) van klasse keur 8 (óf klasse 12,9) bouten van hoogwaardige kwaliteit staal of titanium boven de middellijn van de krukas te worden bevestigd. De motorplaat dient met minimaal 8 bouten van 9,53 mm (3/8”) keur 8 (óf klasse 12,9) bevestigd te worden aan de motor, bij bevestiging onder het midden van het vliegwiel mogen ze worden bevestigd met bouten van een hoogwaardige legering of titanium steunen. Een opening in de motorplaat voor een andere startinrichting is toegestaan, maar mag niet groter zijn dan 51 mm (2”), en als zo’n opening wordt toegepast mag er nog maar één koelopening aanwezig zijn van maximaal 51 mm (2”).

2:10 Vliegwielbescherming

Overige Klassen

Andere klassen, behalve de zoals beschreven in de ET klassen die een koppeling gebruiken, moeten voorzien zijn van een vliegwielhuis dat voldoet aan SFI specificatie 6.1 als ze één koppelingsplaat hebben. Als ze gebruik maken van meer-plaatskoppelingen moet het vliegwielhuis voldoen aan SFI specificatie 6.2 en 6.3. De vliegwielbescherming en de motorplaat dienen met alle aanwezige boutgaten óf zoals door de fabrikant is gespecificeerd of met een minimale diameter van 9,53 mm (3/8”) van klasse keur 8 (óf klasse 12,9) bouten van hoogwaardige kwaliteit staal of titanium boven de middellijn van de krukas te worden bevestigd. De motorplaat dient met minimaal 8 bouten van 9,53 mm (3/8”) keur 8 (óf klasse 12,9) bevestigd te worden aan de motor, bij bevestiging onder het midden van het vliegwiel mogen ze worden bevestigd met bouten van een hoogwaardige legering of titanium steunen.

Veranderingen of reparaties aan de vliegwielbescherming zijn niet toegestaan, behalve als ze worden uitgevoerd en gehercertificeerd door de fabrikant. Uitzondering op deze regels zijn auto’s die voorzien zijn van een Volkswagen- of Porsche motor die op normale benzine lopen en niet voorzien zijn van een turbo. Deze motoren hoeven geen beschermingsplaat te hebben. Porsche motoren dienen te zijn voorzien van een stalen vliegwiel uit één geheel.

Alle auto’s waarvoor geen vliegwielbescherming te koop is die voldoen aan SFI specificaties 6.1 of 6.2 mogen een goedgekeurd type aanpassen voor hun auto, waarbij alle motorbouten wel dienen te worden gebruikt. Er mag een eigen gemaakt huis toegepast worden van plaatstaal met een minimum dikte van 6,35 mm (¼”) die stevig aan het frame bevestigd wordt en het vliegwiel 360° omvat. De vliegwielbescherming mag niet worden bevestigd aan de motor of het vliegwiel. De bescherming moet minimaal 25,4 mm (1”) verder doorlopen dan het vliegwiel, koppeling en de drukgroep. Andere motoren waar een SFI specificatie 6.1, 6.2 of 6.3 vliegwielbescherming niet beschikbaar is, mogen een SFI specificatie 6.1, 6.2 of 6.3 vliegwielbescherming van een andere applicatie gebruiken en monteren op een motorplaat die gemonteerd is op het motorblok met alle beschikbare boutgaten.

Titanium vliegwielbeschermingen zijn alleen toegestaan in Top Fuel, Funny Car, Pro Stock, Pro Mod, Top Methanol Dragster, Top Methanol Funny Car, Competition Eliminator en ET auto´s sneller dan 7.50 seconden.

2:11 Achterkant

Het is niet toegestaan om satelliettandwielen in achteras vast te lassen. Vierwiel aangedreven auto’s zijn toegestaan in alle ET klassen die 12 seconden en langzamer gaan. Niet-standaard achterassen en bevestigingen zijn verplicht in Top Fuel, Funny Car, Top Methanol Dragster, Top Methanol Funny Car, Competition Eliminator, Super Comp, Super Gas en ET auto´s sneller dan 11.00 seconden. Ook verplicht op elke andere auto met een ketting ongeacht welke klasse of ET.

2:12 Versnellingsbak

Alle auto’s en trucks, behalve dragsters die door een motor van een motorfiets of van een sneeuwmobiel aangedreven worden, moeten zijn voorzien van een achteruit.

2:13 Versnellingsbak met niet-standaard planeetwielen

Auto’s die met nitro-methaan of methanol gestookt worden of van een supercharger of turbo zijn voorzien dienen een transmissie bescherming te hebben die de transmissie en achteruitrij inrichting afschermen die voldoet aan SFI specificatie 4.1. Air shifter flessen moeten geschikt en gestempeld zijn voor minimaal DOT 1800 pond of minimaal 124 bar en dienen tevens stevig bevestigd te worden, niet door middel van slangklemmen of ty-rips. Planeetversnellingen dienen met tenminste 3 bouten van minimaal 9,53 mm (3/8”) bevestigd te worden aan het cardanhuis behalve zoals aan gegeven bij Top Fuel, Funny Car, Top Methanol Dragster en Top Methanol Funny Car.

2:14 Automatische versnellingsbak

Elke niet-standaard automaat met op de vloer gemonteerde versnellingspook voor automatische schakeling moet worden voorzien van een veerbelaste anti-achteruitrij inrichting zodat de versnellingspook niet bij vergissing in de achteruit gezet kan worden. Alle versnellingsbak leidingen moeten van metaal zijn of van hoge druk slang zijn gemaakt. Alle voertuigen die sneller rijden dan 10.00 seconden of een hogere eindsnelheid hebben dan 217 km/u (135 mijl) en gebruik maken van een automatische versnellingsbak moeten worden uitgevoerd met een versnellingsbakbeveiliging volgens SFI specificatie 4.1, en als zodanig gelabeld te zijn (uitgezonderd een aantal standaard klassen zoals in hun reglement staat aangegeven).

Ook dekenachtige beschermingen die voldoen aan SFI specificatie 4.1 mogen worden gebruikt. Alle niet-deken achtige schermen moeten zijn voorzien van twee of één (volgens instructies van fabrikant) 19,050 mm (¾”) x 3,2 mm (1/8”) banden die aan beide zijden van het scherm moeten worden geschroefd en onder de versnellingsbak worden doorgevoerd of de versnellingsbak dient aan SFI specificatie 4.1 te voldoen. Deze zijn toegestaan in alle klassen waarin een automatische versnellingsbak wordt gebruikt.

Pro Mod, Competition Eliminator, Super Comp en Super Gas en alle ET klassen die sneller zijn dan 10,00 seconden of harder rijden dan 217 km/u (135 mijl) moeten worden voorzien van een flexplaat die voldoet aan SFI specificatie 29.1 en een flexplaat bescherming die voldoet aan SFI specificatie 30.1.

Alleen gascilinders/luchtflessen voor de airshifter moeten zijn goedgekeurd voor minimaal 1800 pond of minimaal 124 bar druk en de flessen dienen goed bevestigd te worden, niet door middel van ty-rips of slangklemmen. Alle cilinders/flessen dienen verzekerd vast te zitten en alleen cilinders/flessen die gecertificeerd zijn voor de voorgeschreven druk zijn voor gebruik als brandstofreservoir toegestaan. Alle in gebruik zijnde cilinders/flessen moeten voorzien zijn een overdruk ventiel of anderszins om overdruk te voorkomen.


Artikel 3 REMMEN EN VERING

3:1 Remmen

Remmen van alle klassen moeten goed werken met minimaal twee hydraulisch bediende remmen op het achterwiel terwijl hydraulische remmen op alle vier de wielen wordt aanbevolen of in het klassenreglement verplicht zijn gesteld. Het verminderen van het gewicht van remmen door middel van boren, wegzagen of –slijpen van gedeeltes van de rem zijn verboden. Het boren van gaten in remschijven is toegestaan maar niet in gietijzeren remschijven. Aluminium remschijven zijn niet toegestaan alleen bij Funny cars voorwielen. Als er een handrem aanwezig is dient deze binnen het chassis of het bestuurders gedeelte te vallen. Remleidingen moeten van staal, staal-ommanteld of DOT goedgekeurde flexibele slang zijn, de leidingen dienen stevig gemonteerd te zijn en op de plekken waar de leiding langs het vliegwiel en de cardan loopt dient de leiding in een buis van 16” te worden gelegd met een minimum dikte van 1/8” wanddikte. Alle leidingen moeten op standaard wijze bevestigd worden en niet met ty-rips, slangklem, tape of iets dergelijks. Alle remleidingen op een auto met achterliggende motor dienen beschermd te worden door stallen leidingen of stalen ommanteling. Alle pedalen dienen te zijn voorzien van antislip materiaal. Automatisch bediende remmen zijn niet toegestaan. De bediening van de remmen dient rechtstreeks door de bestuurder te gebeuren en mag niet door middel van elektronische of lucht-bediening plaatsvinden, verder mag niets een goede remwerking van de gehele reminrichting in de weg staan. Indien een mechanisch bekrachtigde ABS is goedgekeurd mag deze tijdens de wedstrijden worden gebruikt. Indien remmen zijn voorzien van motordruk ondersteuning dienen deze op de voorrem van solenoïdes te zijn voorzien die automatisch terugschakelen naar de normale remmethodiek.

3:2 Schokbrekers

Elke auto dient van goed werkende schokbrekers te zijn voorzien op alle verende wielen. Schokbrekers mogen zowel van het hydraulische type als van lucht ondersteunde of wrijvingstypes zijn (kijk hiervoor in de klassenreglementen).

3:3 Besturing

De stuurinrichting van alle auto’s dient goed te functioneren. Alle stuikgelaste onderdelen dienen van zichtbare versteviging te zijn voorzien. Alleen standaard types stuurinrichtingen mogen worden toegepast. Alle stuurstangeinden dienen een minimum schaftdikte te hebben van 3/8” en moeten bevestigd worden met platte ringen om te voorkomen dat lagers los kunnen raken. Alle stuurhuizen en -stangen moeten aan het chassis worden bevestigd en mogen niet aan de motorplaat, vliegwielhuis of cardan worden bevestigd. De stuurstang dient uit twee delen te bestaan zodat ingeval van een ongeval de bestuurder niet kan worden verwond door een lange stuurstang. De twee delen kunnen via een kruiskoppeling of stuurhuls met elkaar worden verbonden. In de handel verkrijgbare stuurwielen met snelkoppelingen zijn toegestaan (of staan in het klassenreglement anders aangegeven) de adapter voor de snelkoppeling dient op de stuurstang gelast te zijn. Alle bevestigingen dienen van een deugdelijke kwaliteit te zijn en er mogen geen kogelborgingen of splitpennen worden gebruikt.

3:4 Vering

Alle auto’s dienen volledig geveerd te zijn, de vering dient van een bestaand veersysteem te zijn (zoals torsieveren, schroefveren e.d.). Vaste voor- of achterassen zijn toegestaan als dit in het klassenreglement wordt aangegeven. Alle stanguiteinden dienen bevestigd te zijn met platte ringen zodat lagers niet los kunnen raken. Holle stangen zijn niet toegestaan. Driewielige voertuigen mogen niet in autoklassen uitkomen. Afgeronde assen zijn niet verplicht bij voorwielassen die vast gemonteerd 18” of minder van de koningsas. Alle voorveringen die gebruik maken van een balk of ronde as moeten afgeronde assen hebben die bevestigd worden aan het chassis.

TEKENING 3:4

3:5 Traction bar bevestigingsogen

De minimum dikte van alle bevestigings ogen aan de voorkant van iedere ladder type traction-bar is ¾ “ staal. Er dient een strop aangebracht te zijn welke de ladder-bar borgt in geval van een defect. Voor alle overige soorten traction-bars geldt dat indien deze aan de voorkant niet aan het chassis vast zitten, deze voorzien moeten zijn van een U-vormig draadeind of een strop zodanig dat de traction-bar de baan niet kan raken.

TEKENING 3:5

3:6 Wheelie bars

Sommige klassen hebben een beperkte lengte van de wheelie bar, kijk hiervoor naar het klasse reglement. De wieltjes van een wheelie bar, ongeacht in welke klasse, moeten van een niet-metalen produkt (zoals plastic, rubber e.d.) gemaakt zijn. Wheelie bars mogen niet gebruikt worden als ‘vijfde wiel’ voor het besturen van de auto.


Artikel 4 FRAME

4:1 Afstelling

De wielen van alle auto’s in elke klasse dienen zodanig afgesteld te zijn dat de auto bij elke snelheid goed is te besturen.

4:2 Ballast

Zoals in het reglement van de klassen staat moet elk materiaal dat wordt gebruikt om meer gewicht in de auto te hebben, permanent en stevig zijn bevestigd aan het chassis en dit gewicht mag niet buiten de auto uitsteken. Tevens mag dit gewicht niet achter of boven de achterwielen zijn gemonteerd. Het is niet toegestaan een vloeistof of losse ballast te gebruiken zoals bijvoorbeeld water, zand, zandzakken, gewichten of stenen. Er mogen twee gewichtsbakken worden toegepast van 1/8” staalplaat waarin dan losse gewichten mogen worden aangebracht. De bakken mogen met inhoud niet zwaarder wegen dan 100 pond of anders indien aangegeven in klassenreglement. De bak moet stevig bevestigd worden aan het chassis met minimaal twee ½” stalen bouten. Elke vloeistof (behalve brandstof) die achter de voorste beschermingsplaat (bij een auto met voorliggende motor) is geplaatst word als ballast gezien en is niet toegestaan. Om in andere klassen te kunnen starten mag er een los gewicht gebruikt worden van 100 pond of anders indien in het klassenreglement is omschreven. Ook een verwijderbaar gewicht dient met twee ½” stalen bouten te worden bevestigd of met 3/8” bouten per 5 pond ballast. Slangklemmen, draad, tape of ty-rips mogen niet worden gebruikt voor het vastzetten van gewichten. Andere toegestane vormen van ballast zijn zwaardere vloerplaten, verzwaarde chassisbalken en het plaatsen van rolbars, vliegwielbescherming en andere beveiligingsmiddelen. Als er extra ballast nodig is en toegestaan in het klassenreglement moet het permanent bevestigd worden met twee ½” stalen bouten per 100 pond. De moeren dienen te worden vastgelast. Het maximaal toegestane ballastgewicht (permanent of te verwijderen) is 500 pond ongeacht de klasse.

TEKENING 4:2

4:3 Beschermingsplaat

Alle auto’s met een achterliggende motor moeten zijn voorzien van een beschermingsplaat die de bestuurder en de brandstoftank van de motor afschermt. De beschermingsplaat moet een minimum dikte hebben van 1/8” aluminium of 0,60” staal of titanium. De plaat moet van de bovenkant van de blower tot aan de onderkant van de pully lopen en minimaal 1” breder zijn dan beide pully’s van supercharger auto’s. Andere auto’s dienen een beschermingsplaat te hebben die van schouder hoogte tot aan de bodem loopt.

TEKENING 4:3

4:4 Frames

Alle stootlassen moeten zichtbaar versterkt zijn (door middel van kragen of rozet lassen). Het onder druk brengen van een frame, rolbar of rolkooi of het gebruiken als luchtopslag is verboden. Als er gaten in een frame worden aangebracht dienen er zichtbare versterkingen te worden aangebracht ook in de rolbar of –kooi dient dit te gebeuren. De versterkingen dienen minimaal dezelfde afmeting te hebben als het gat met een minimale dikte van 0,049” chroom molybdeen rondom het gat. Kijk ook bij 4:10 rolbars en 4:11 rolkooien.

4:5 Grondspeling

Aan de voorzijde dient er minimaal 3 inches speling te zijn tussen onderkant wagen en de grond ter hoogte van de voorwielas dient de grondspeling 12” te zijn, de rest van de wagen dient een grondspeling te hebben van 2” behalve het carterdeksel en de uitlaat. Ook de wheeliebar hoeft niet aan de 2” maat te voldoen.

4:6 Röntgencertificaten

Door de technische inspecteur kunnen röntgencertificaten gevraagd worden van alle veranderde of gelaste delen.

4:7 Bevestigingsmiddelen

Slangklemmen en ty-raps mogen alleen gebruikt worden ter bevestiging van slangen en kabels, alle andere onderdelen moeten worden gelast, geschroefd of luchtvaartklemmen e.d.

TEKENING 4:8

4:8 Parachutes

Als er is omschreven in het klassement dat er een remparachute dient te worden gebruikt, dient deze parachute gemaakt te zijn door een erkende dragrace parachute fabrikant. Technische inspecteurs kunnen de goede werking van een parachute testen en controleren bij de voertuig inspectie en controleren op versleten of verbrande lijnen, versleten, gerafelde of gescheurde parachutes. Het openen van de parachute moet via een hendel gebeuren die stevig is bevestigd aan het frame ook de bedienings kabel dient na minimaal 1” te zijn vastgezet aan het frame. De bedienings kabel mag aan de parachute kant op 12” vastgemaakt zijn en op zo’n manier dat de binnenkabel de parachute kan laten ontvouwen. Als een auto op nitro-methaan loopt of van een supercharger is voorzien dient de parachute en de lijnen door brandwerend materiaal te worden afgedekt. De parachute dient een eigen bevestigingspunt te hebben. Het gebruik van kogellager pinnen is niet toegestaan, zie de klassenreglementen. Wanneer er twee parachutes worden toegestaan dienen beide parachutes een eigen bevestiging te hebben.

4:9 Pinion ondersteuning

Alle auto’s die gebruik maken van een open achteras dienen drukstangen of een andere vorm van pinion ondersteuning te hebben, dit om meedraaien van het cardanhuis te voorkomen. Het wordt aanbevolen om een stalen torsiebuis met een minimum wanddikte van 1/8” te gebruiken om open achterassen af te schermen.

4:10 Rolbeugel (Roll Bar)

Alle rolbars dienen niet verder dan 6” van de achter- en de zijkant van de auto te zijn gemonteerd. De rolbar moet minimaal 3” hoger zijn dan de helm van de bestuurder als deze normaal in de auto zit. Verder dient de breedte van de rolbar minimaal de schouderbreedte van de bestuurder te zijn of niet meer dan 1” van de bestuurdersdeur. De rolbar dient stevig genoeg geconstrueerd te worden en verstevigd te zijn door middel van dwars- en hoogte verbindingen. Zodat doorbuigen niet kan gebeuren. Verder dient de rolbar zodanig bevestigd te worden dat de rolbar niet voor- of achterover kan slaan. De verstevigingen die dit moeten voorkomen dienen van de zelfde diameter en wanddikte te zijn als de rest van de constructie. De topaansluiting mag niet verder dan 5” van de bovenkant van de rolbar zitten. De zijbeugel dient aan de bestuurderskant tussen schouder- en elleboog hoogte te zijn aangebracht.

TEKENING 4:10

Alle voertuigen met standaard frame moeten de rolbar bevestigen aan het frame. Unibody auto’s hoeven de rolbar niet aan het frame te bevestigen als de body standaard vloerplaten en beschermplaten heeft (wielkasten zijn toegestaan). Men kan de rolbar dan bevestigen met platen van 6” vierkant staal met een minimum dikte van 0,125” die aan beide zijden van de vloerplaat aan elkaar gebout worden met minimaal vier 3/8” bouten en moeren, of vastgelast te worden aan het hoofdframe met verstevigings platen van staal met een minimum dikte van 0,125”. Het lassen van 4130 chroom molybdeen dient met een goedgekeurd TIG-lasapparaat te gebeuren. Het lassen van zacht staal mag met een MIG-lasapparaat worden uitgevoerd. De lassen dienen vrij van slak te zijn maar mogen niet worden afgeslepen of gevijld. De rolbar moet afgeschermd worden met zacht materiaal overal waar de helm in contact kan komen met de rolbar. Het dempingmateriaal moet minimaal ¼” ingedrukt kunnen worden.

4:11 Rolkooi (Roll cage)

Alle constructies die ontworpen kunnen worden dienen tot doel te hebben de bestuurder rondom te beschermen. Het lassen van 4130 chroom-molybdeen dient met een goedgekeurd TIG-lasapparaat te gebeuren. Het lassen van zacht staal mag met een MIG-lasapparaat worden uitgevoerd. De lassen dienen vrij van slak te zijn maar mogen niet worden afgeslepen of gevijld. De rolbar moet afgeschermd worden met zacht materiaal overal waar de helm in contact kan komen met de rolbar. Het dempingmateriaal moet minimaal ¼” ingedrukt kunnen worden. Competition, Dragster, Funny car, Pro stock en Top fuel dempingmaterialen dienen te voldoen aan SFI specificatie 45.1. (zie tekeningen op de pagina’s 14 & 15)

Open auto’s (zie tekeningen)

Als de bestuurder van een open wagen normaal in de auto zit dient de rolbar minimaal 3” voor en boven de helm van de bestuurder uit te komen. Als de auto niet is voorzien van een dwarsbalk boven de benen van de bestuurder dienen er- tussen of platen aangebracht te worden, zodanig dat de benen van de bestuurder niet buiten de wagen uitsteken. Bij dragsters met voorliggend gemonteerde motoren dient de kooiconstructie zodanig te zijn gemaakt dat de bestuurder te allen tijde door de kooi wordt beschermd. Als er een rechte lat langs twee frame buizen wordt gelegd mag er geen contact gemaakt kunnen worden met de bestuurders stoel of welk onderdeel van het compartiment dan ook. Om dit te bereiken kunnen er tussenspijlen worden geplaatst totdat dit wordt bereikt. Motorsteunen en achteropstaande rolbarbuizen mogen van vierkant buis zijn met een minimale afmeting van 1 ¾”.

Dichte auto´s (zie tekeningen)

Bij dichte auto’s moet de helm van de bestuurder als hij normaal in de auto zit voor de hoofdbuis van de rolkooi zitten. Als de helm van de bestuurder onder of achter de hoofdbuis zit moeten er extra beschermingsbuizen worden aangebracht van dezelfde dikte en diameter als de rolkooi. De hoofdbuis mag voor- of achterover geplaatst zijn zolang de bestuurder maar voldoende bescherming wordt geboden. Alle kooien moeten voorzien zijn van een dwarsbalk die op de hoogte van de schouders of maximaal 4” daaronder zijn bevestigd. Alle achterwaartse steunbuizen dienen onder een minimum hoek van 30° ten opzichte van verticaal worden geplaatst. De zijbuizen moeten langs de bestuurder lopen op een hoogte tussen de schouder en de elleboog. Tenzij er een standaard framebuis onder of schuin naast de bestuurdersvoeten zit(bijvoorbeeld zoals bij een Chevy ’55 of een Corvette ’65) dient er een drempel of een rockerstang aangebracht te worden. Dit is verplicht voor elke auto met aangepaste bodemplaten of een aangepaste rockerbuis. De rockerstang dient beneden en naast de voeten te worden aangebracht en worden bevestigd in het chassis, het hoofdframe of het sub-frame. De rockerstang mag niet worden bevestigd aan een wegklappende zijbuis. Losse zijbuizen zijn toegestaan in standaard dichte wagens die eindtijden rijden op de 400 meter van niet sneller dan 7.50 sec. Alle Dragsters, Funny cars en andere auto’s die een Dragster of Funnycar achtige kooi-constructie hebben moeten aan de volgende test voldoen: indien er met een vlak voorwerp langs de buizen wordt gegaan en de helm wordt tegen de buizen aangedrukt dan mag de helm niet in contact komen met het vlak. Als aan dit criterium niet wordt voldaan dienen extra buizen of strips aan gebracht te worden tot dat dit criterium wel gehaald wordt. De bij te plaatsen buizen dienen minimale diameter te hebben van ¾” de strip dient minimaal 0,090 dik en ¾” breed te zijn.

DIVERSE TEKENINGEN

4:12 Wielbasis

De minimum wielbasis is 90”, uitgezonderd als de auto de motor op de originele plaats heeft en korter is als standaard. De maximum wielbasis variatie is 1”, of anders aangegeven in klassenreglement.


Artikel 5 WIELEN EN BANDEN

5:1 Banden

Banden worden visueel gecontroleerd op algehele staat, bandenspanning en dergelijke. De technische staat van de banden moet defect vrij zijn voor iedere start. Alle straatbanden moeten een minimum profiel van 1/16” hebben is de auto sneller dan 11,99 sec. en heeft tubeless banden dan dienen de banden aan de velg te zijn geschroefd (voor en achter).

5:2 Velgen

Wieldoppen dienen te worden verwijdert voor de inspectie zodat gecontroleerd kan worden op losse moeren, versleten moeren, wiellagers en de staat van de wielassen. Wieldoppen die los op te klikken zijn, zijn niet toegestaan. Elke auto dient van wielen te zijn voorzien met een minimum diameter van 12” of indien anders vermeld in het klassenreglement. Motorwielen of lichtgewicht spaakwielen moeten zijn voorzien van stalen spaken met een minimum dikte van 0,100” en de wielen dienen gespaakt te zijn voor maximale sterkte. Alle spaakgaten dienen te zijn afgedekt. Elke vorm van gewichtsvermindering is niet toegestaan. De spaken dienen minimaal de diameter van de spaken in de spaakmoeren te worden bevestigd. De spaken en moeren dienen van staal te zijn. De maximum velgbreedte is 16”. In geen enkele klasse zijn wieldoppen voor de achterwielen toegestaan.


Artikel 6 INTERIEUR

6:1 Bestuurders compartiment

In alle dichte auto’s waar de bestuurder achter de motor zit dient het bestuurderscompartiment te zijn gemaakt van onbrandbaar materiaal en mag er geen magnesium in verwerkt zijn. De bestuurder dient volledig afgeschermd te zijn van de motor en de transmissie. Alle gaten in de beschermingsplaten dienen te worden afgedekt door aluminium of staal. Alle openingen rondom kabels, leidingen, stuur, pedalen en dergelijke dienen zo klein mogelijk te zijn. Zie ook algemeen reglement 7:5.

6:2 Bekleding en stoelen

De stoel van de bestuurder dient zodanig gemaakt te zijn dat het de bestuurders rug en schouders goed ondersteund. De bestuurdersstoel dient door middel van stoelframe of dwarsbalk verstevigd te zijn. Behalve zoals aangegeven in het SFI reglement dienen alle stoelen bevestigd te worden met vier bouten, moeren en ringen aan de bodem en met 1 bout aan de achterzijde in de dwarsbalk. Het toepassen van kogellager-pennen is niet toegestaan. Alle stoelen moeten zijn bekleed of het klassenreglement of SFI specificaties moeten anders aangeven. Goed verstevigde stoelen van aluminium, polyester, fiberglas of carbonfiber zijn toegestaan. Enkellaags glasvezel stoelen moeten zijn voorzien van een stalen frame met framebuizen van een minimum dikte van een ½” ter ondersteuning. Aluminium stoelen moeten een verstevigde hoofdsteun hebben. Magnesium stoelen zijn niet toegestaan.

TEKENING 6:2

6:3 Raamnet

Een net van banden of een net van touw volgens SFI specificatie 27.1 is verplicht in dichte auto klassen waarin rolkooien zijn verplicht. Een raamnet dient stevig bevestigd te worden aan de binnenzijde van de kooi, met een vaste bevestiging aan de bodem. Alle bevestigingspunten dienen voor de bestuurder veilig te zijn aangebracht en voorkomen dat de bestuurder in aanraking kan komen met de baan of vangrail. Het doorboren van banden is niet toegestaan of de gaten moeten door de fabrikant zijn aangebracht.


Artikel 7 BODY

7:1 Reclame

De wedstrijdleiding behoudt zich het recht voor om reclamereglementen op te stellen en regels hiervoor te gaan toepassen.

7:2 Spoilers en vleugels

Spoilers, tunnels en vleugels die niet standaard zijn aangebracht mogen alleen worden toegepast bij open voertuigen zoals Dragsters en Street roadsters, of indien in het klassenreglement aangegeven. Er dient in een stevige manier van bevestiging te zijn voorzien. Er mag zich geen onderdeel dichter dan 6" bevinden van het achterwiel. Er mogen geen veerbelaste spoilers of vleugels worden gebruikt. Het tijdens de rit aanpassen van de stand van spoilers en vleugels is niet toegestaan. Noot: een spoiler dient direct op de body gemonteerd te worden zodat lucht alleen via de bovenzijde kan langs stromen. Een vleugel dient op poten of steunen geplaatst te worden zodat er lucht boven- en onderdoor kan stromen. Vleugels en spoilers dienen met bouten van minimaal ¼" te worden vastgezet.

7:3 Wedstrijdnummers

Alle voertuigen die starten in wedstrijden dienen te zijn voorzien van wedstrijd-nummers. Voor auto’s geldt een minimale nummergrootte van 6 bij l 1/2 " op de zijkant van de auto. De klasse-indicatie dient minimaal 3 bij 1" zijn. De nummers dienen goed leesbaar in een contrasterende kleur te worden aangebracht of in een lichte kleur op de ramen. De nummering dient door middel van plakletters of verf te worden aangebracht en op een zodanige plek te zijn aangebracht dat de nummers door de wedstrijdleiding te lezen zijn.

TEKENING 7:3

7:4 Spatborden

In de Superstock en standaard klasse dienen de voor- en achterzijde van het spatbord zodanig te worden afgerond dat er voldoende ruimte is voor de banden. Met een maximum opening van 2". Alle voertuigen dienen afgeronde of omgeslagen spatbordranden te hebben. Overhangende spatborden zijn verbrede spatborden en zijn niet toegestaan of het klassenreglement moet dit aangeven. Voorspatborden mogen niet ‘afhangend’ zijn of het moet in het klassenreglement zijn aangegeven.

7:5 Schutbord

Elk voertuig dient te zijn voorzien van een beschermplaat met een minimum dikte van 0.032" aluminium of 0.024" staal. De beschermplaat moet van zijkant tot zijkant lopen en van de bovenkant van het motor­compartiment tot aan de bodemplaat of de carterpan. De beschermplaat dient een schot te vormen tussen de bestuurder en de motor en de brandstoftank. Alle openingen dienen te worden afgedicht met metaal, in sommige omstandigheden mag hiervoor glasvezel, aluminium, carbon fiber of andere kunststof worden gebruikt. Controleert dit in het klassenreglement of vraag het aan de keurmeester. Het gebruik van magnesium is niet toegestaan.

7:6 Vloeren

Alle auto’s zonder vloeren moeten zijn voorzien van vloerplaten van staal of aluminium en moeten het bestuurders­compartiment tot achter de bestuurders stoel afdekken. Voertuigen uitgerust met kunststof vloeren of vloerplaten dienen extra metalen vloerplaten aan te brengen. Er dienen steun balken aangebracht te worden van minimaal 2" vierkant met een wanddikte van 0.083" waarop de bestuurdersstoel en veiligheidsriemen dienen te worden aangebracht. De extra aangebrachte vloerplaten dienen van gaten te zijn voorzien zodat er geen ophoping van vloeistoffen of vuil kan ontstaan die eventueel brandgevaarlijk kunnen worden.

TEKENING 7:6

7:7 Hood Scoop

Op dichte auto’s mag een Hood Scoop niet meer dan 11" uitsteken boven het standaard dak. Bij open auto’s met voorliggende motor mag de Hood Scoop niet meer dan 11" boven de carburateurs uitsteken. De Scoop mag maar één inlaatopening hebben. Kijk in het klassenreglement voor verdere beperkingen.

7:8 Windscherm

In open auto’s of elke klasse zonder windscherm mag een metalen of van elk ander brandwerend materiaal gemaakt windscherm worden gebruikt. De minimum maat is 5 bij 12 inch. Het windscherm moet wind, vloeistoffen of alle andere materialen over de bestuurder heen leiden en stevig bevestigd zijn en zodanig geplaatst zijn dat het, het uitzicht van de bestuurder niet belemmerd.

7:9 Voorruit en ramen

Als een wagen volgens het klassenreglement moet zijn voorzien van ramen of een voorruit dient deze te zijn gemaakt van doorzichtig, helder en niet-getint veiligheidsglas, plexiglas, Lexan (Polycarbonate) of een ander niet versplinterend materiaal. Wel mag er getint veiligheidsglas worden gebruikt als die standaard door de fabrikant wordt geleverd. Er mag geen tape worden toegepast op voorruit en ramen.


Artikel 8 ELEKTRICITEIT EN BEDIENING

8:1 Accu

Alle accu’s moeten stevig worden vastgemaakt. Accu’s mogen niet verplaatst worden naar rijders of bijrijders compartimenten. Als de accu achterin geplaatst wordt dient er een beschermplaat te worden aangebracht van 0.024" staal of 0.032" aluminium. Ook mag de accu in een afgesloten metalen bak of een polyester bak worden geplaatst. De accu moet wel apart vastgezet worden aan het chassis met minimaal 2 3/8" bouten.

8:2 Vertragingsunits

Het is verboden vertragingsunits te gebruiken in superstock en standaardklassen en in sommige index klassen, zie klassereglementen. Een vertragingsunit wordt gedefinieerd als een apparaat dat elektronisch, hydraulisch, pneumatisch of mechanisch het loslaten van de remmen of de koppeling vertraagt en daarmee het wegrijden van een voertuig beïnvloed.

Voertuigen waarbij het niet is toegestaan van een vertragingsunit gebruik te maken: Het vervangen van kabels, solenoïdes, koppelingen en dergelijke die hetzelfde effect op het rijden van het voertuig hebben worden niet onder vertragingsunits verstaan en zijn daarom altijd toegestaan. Bij het gebruik van solenoïdes dient de bedrading te bestaan uit een enkele draad die rechtstreeks via een schakelaar de solenoïdes aanstuurt. Van deze draad mag er een tweede draad getrokken worden die een twee-traps solenoïde aanstuurt. Alle toegepaste schakelaars of knoppen dienen van normaal in de handel verkrijgbare types te zijn zonder ingebouwde vertraging. Alle bedrading van en naar de solenoïdes dient apart te lopen van de overige bekabeling en als zodanig herkenbaar zijn. Computer, sensor of relais bedrading mag niet worden meebedraad in de solenoïdes bekabeling. Alle toerental begrenzingunits mogen niet onder handbereik van de bestuurder geplaatst worden maar dienen het liefst in het motorcompartiment te worden ondergebracht. Elk systeem dat niet aan de boven beschreven omschrijving voldoet is niet toegestaan en moet worden aangepast voordat er gestart mag worden. Als er tijdens de keuring toch een vorm van vertragings apparatuur wordt ontdekt is dit reden om niet te mogen starten of gediskwalificeerd te worden en alle reeds behaalde punten van seizoen kwijt te raken. De wedstrijdleiding heeft het recht om eventuele andere straffen uit te delen.

Voertuigen waarbij wel gebruik gemaakt mag worden van vertragingsunits: Vertragingsunits mogen alleen een display hebben waarop de ingestelde vertragingstijd analoog of digitaal wordt aangegeven. Kijk de klassenreglement na op welke en hoeveel vertragingsunits gebruikt mogen worden. De vertragingsunit mag alleen de startsnelheid vertragen en als zodanig aangesloten word op het gas, de koppeling of de remmen. Het mag niet gebruikt worden om een datarecorder of andere apparatuur te voeden. De bedrading van de vertragingsunit moet volledig zichtbaar apart gelabeld en te volgen zijn voor de keurmeesters. Elk systeem wat niet aan de bovenvermelde omschrijving voldoet is niet toegestaan en moet worden verwijderd voordat het voertuig toegestaan wordt te starten. Als bij controle toch apparatuur wordt ontdekt die niet aan de gestelde eisen voldoet wordt de deelnemer onmiddellijk gediskwalificeerd en alle punter in voorgaande wedstrijden behaald kunnen ongedaan worden verklaard. Tevens kan een deelnemer voor de rest van het seizoen worden geschorst en de wedstrijdleiding is gerechtig andere maatregelen te nemen

8:3 Ontsteking

Elke auto moet een goed werkende start/stop schakelaar bezitten waarmee de ontsteking aan en uit kan worden gezet. De bestuurder moet deze schakelaar makkelijk kunnen bedienen. Tijdelijke contacten zijn verboden ook het gebruik van een magneet stopknop is niet toegestaan.

8:4 Hoofdonderbreker

Er dient een hoofdschakelaar op het voertuig aanwezig te zijn als de accu is verplaatst of als dit in het klassenreglement staat aangegeven. De schakelaar dient aan de achterzijde van het voertuig te zijn bevestigd en vanaf de buitenkant makkelijk te bereiken zijn. De hoofdschakelaar dient in de pluskant van het elektrisch circuit te zitten en de “uit” kant van de schakelaar dient goed zichtbaar te zijn gemarkeerd. Als de hoofdschakelaar van het trek/duw type is moet de duwrichting de plus onderbreken. Alle stangen of kabels die deze schakelaar bedienen dienen minimaal 1 1/8” diameter hebben. Op dragsters met achter-gemonteerde motoren dient de schakelaar achter de achterwielen te worden gemonteerd.

8:5 Starters

Alle auto’s moeten zelf gestart kunnen worden. Rollerbanken of duwstarts zijn verboden.

8:6 Achterlichten

Alle voertuigen van standaard tot aan de Competition klasse dient minimaal te zijn voorzien van een werkend achterlicht voor avondwedstrijden. Hiervoor mogen geen stroboscoop, knipperend, laser of infrarood lampen voor worden gebruikt. Zie verder het klassenreglement.


Artikel 9 HULPMIDDELEN

9:1 Computer

Alleen als er standaard in een auto een computer is geïnstalleerd wordt een computer die dient voor de besturing van de motor geaccepteerd. Elke computer die de auto beïnvloed is niet toegestaan. In bepaalde klassen is een standaard of via de handel verkregen elektronisch benzine injectiesysteem toegestaan. Alle bekabeling en sensoren dienen onderscheiden te zijn voor de keurmeesters. Een computer wordt gedefinieerd als elk apparaat dat (elektrisch,mechanisch, pneumatisch, hydraulisch en dergelijke) de werking van het voertuig beïnvloedt door meting, bewerking, voelen et cetera van data de werking van het voertuig beïnvloedt. Het weergeven of verzenden van gegevens naar de bestuurder is verboden (zie 9:2 data recorders). In de klassenreglementen staat vermeld of er door middel van tijd- of toerentalmeting automatisch geschakeld mag worden. Wel dienen alle instellingen voor de run te worden ingesteld. Op het display mag ook alleen de ingestelde waarde digitaal of analoog worden weergegeven. De keurmeesters mogen eisen dat bepaalde apparatuur voor de run wordt verwijderd.

9:2 Datarecorder

Datarecorders mogen alle gegevens van een voertuig opnemen zolang de datarecorder geen handelingen aan het voertuig verricht. De datarecorder mag niet door middel van gas, koppeling, of rempedaal worden gestart ook mag de recorder niet gestart worden door de kerstboom, radiozenders of de positie op de baan. De recorder dient apart aangeschakeld te worden. Verder mag er geen vijfde wielmeting plaats vinden ook niet van de rolbar. Alle leidingen die druk, doorstroming van olie of brandstof meten dienen van staal of staal-ommanteld zijn. Het weergeven of verzenden van gegevens naar de bestuurder is verboden. De data mag alleen na de run worden bekeken door middel van een computer uitdraai of het afspelen van de opgenomen data. Elk apparaat dat helpt bepalen waar het voertuig zich op de baan bevindt of waar de tegenstander zich bevindt zijn verboden. Alleen standaard geplaatste spiegels mogen worden toegepast. Het ontdekken van een apparaat dat een van de bovenvermelde gegevens wel doorgeeft aan de bestuurder kan reden zijn tot diskwalificatie, het aftrekken van alle in dat seizoen vergaarde punten en het verbod voor dat seizoen nog aan wedstrijden deel te nemen. Verder houdt de wedstrijdleiding zich het recht voor om extra maatregelen te nemen.

9:2a Telemetrie

Het verzenden van telemetrie gegevens van een bepaalde categorie professionele machines met het enige doel nationale TV-uitzendingen mogelijk te maken die aan de wedstrijdleiding-criteria voldoen zijn toegestaan. Aanvraag voor telemetriezenders dient schriftelijk aan de wedstrijdleiding te worden toegestuurd. Een schriftelijke toestemming van de technische commissie is verplicht.

9:3 Brandblussers

In bepaalde klassen is het noodzakelijk om een brandblussysteem in de auto te hebben. In andere klassen is het aanbevolen dat elke deelnemer en/of zijn ploeg in het bezit is van een werkende brandblusser en een branddeken in de racewagen of de volgwagen. C0 2 – of koolzuurbranders met minimum grootte van 2,5 pond worden aanbevolen. Indien een brandblusser in een racewagen is geplaatst moet hij stevig verankerd zijn. Het gebruik van kliksluitingen is verboden. Brandblussystemen moeten met de hand worden bediend in funny cars. De brandblusopeningen moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder wordt beschermd. Flessen, leidingen en kabels moeten binnen het frame gemonteerd zijn. Als kabels langs de motor of het cardanhuis lopen moeten de kabels binnen in het frame worden gelegd. Brandblussers moeten DOT goedgekeurd zijn en vast gemonteerd zijn (niet door middel van slangklemmen of ty-raps). Als er meer dan één brandblusser wordt gebruikt moet elke brandblusser een eigen leidingsysteem hebben. Het gebruik van flessen, sproeiers of leidingen anders dan door de fabrikant aanbevolen is niet toegestaan. De brandblussers dienen zo bevestigd te worden dat als er een explosie of een ander mechanisch mankement plaatsvindt zij beschermd worden tegen rondvliegende delen. Sproeierplaatsing is heel erg belangrijk. Twee sproeiers worden geplaatst voor de motor aan beide zijden en een sproeier wordt geplaatst in het bestuurderscompartiment naast de stuurkolom. Bij bediening van het brandblussysteem dient de inhoud van de brandblussers in zijn geheel te worden geledigd. Ook dienen de brandblussers zo geplaatst te worden dat ze niet in contact kunnen komen met de baan als er een wiel of band wordt verloren. Brandblussers dienen beschermd te worden tegen grote hitte. Bedieningskabels dienen van metaal te zijn of van plastic-ommanteld stalen kabels waarbij de aanwijzingen van de fabrikant dienen te worden opgevolgd ten aanzien van bochten en installatie. Alle brandblussystemen dienen stalen leidingen te hebben en stalen of aluminium sproeiers. Brandblussers dienen te zijn uitgerust met een drukmeter. Op alle brandblussers dient het bruto gewicht te zijn aangegeven. Het is de verantwoording van de bestuurder ervoor te zorgen dat de flessen voor elke wedstrijd worden gewogen.

9:4 Krikken en krikstanden

Er mag niet aan een wagen worden gewerkt in de pits als de auto maar op één krik staat. Extra veiligheidsmaatregelen zoals standaards zijn verplicht. Indien aan deze regel geen gehoor wordt gegeven is dit reden tot onmiddellijke diskwalificatie. Top Fuel, Funny Car, Pro Mod, Pro Stock, Top Methanol Dragster en Top Methanol Funny Car moeten gebruik maken van een draagframe dat wordt vastgemaakt aan het frame. Het gebruik van standaard krikken is verboden als er aan de auto wordt gewerkt terwijl de motor draait en het voertuig op de krik staat. Krikken dienen zo geconstrueerd te zijn dat er een minimale grondspeling van 7" wordt gemeten van de grond tot aan de achterbanden.

9:5 Lifthulpen

Elke vorm van mechanische, hydraulische of andere lifthulpen om de achterwielen van de baan te lichten tijdens de start is verboden.

9:6 Grootformaat trailers

Deelnemers die gebruik maken van een groot formaat trailer (18 wielers) moeten de deuren sluiten na in- of uitladen van de voertuigen. Ook dienen alle oprijdbruggen te worden verwijderd. De maximale lengte van een trailer mag niet meer bedragen dan 6,705 meter (22 voet).

9:7 Gasflessen

Alle onder druk staande flessen die gebruikt worden voor koppelingen, airshifters en dergelijke moeten voorzien zijn van een opschrift dat zij minimaal voldoen aan DOT 1800 of minimaal 124 bar. Alle gasflessen dienen stevig te worden bevestigd. Het gebruik van slangklemmen en ty-raps is verboden.

9:8 Aanduwen

Het aanduwen of aantrekken van auto’s voor de start is verboden.

9:9 Sleepwagen

Elk voertuig dat als sleepwagen wordt gebruikt moet het startnummer van de bestuurder op de wagen hebben. Er mogen maximaal zes ploegleden worden vervoerd in de sleepwagen. Ploegleden moeten zich in de wagen bevinden en niet op de achterkant of de spatborden staan.

9:10 Portofoon

Het gebruik van portofoons tussen de bestuurder en ploegleden is toegestaan in al klassen. Telemetrie is niet toegestaan voor het ontvangen van data of het uitvoeren van controle functies.

9:11 Opwarmen

De bestuurder van een wagen moet ten alle tijden normaal in de auto zitten als de motor loopt.

TOP FUEL EN FUNNY CAR

Als deze klassen gestart worden in de pits dient de wagen op de toegewezen plek staan. Race teams mogen de wagen niet achteruit het pits gebied in rijden om de wagen te starten. GEEN ENKEL ONDERDEEL VAN DE WAGEN MAG BUITEN DE TRAILER KOMEN ALS DE WAGEN GESTART WORDT. Als het team de laatste pits box gebruikt of de trailer schermt de wagen niet geheel af dan dient er een auto of sleepwagen naast de racewagen geplaatst te worden als de motor wordt gestart.


Artikel 10 RIJDER

10:1 Uitrusting

Alle ploegleden of deelnemers moeten volledig zijn aangekleed als zij aanwezig zijn in de staging- of startgebieden. Schoenen zijn verplicht. Het rijden met korte broeken, blote benen of blote bovenlijven is verboden.

10:2 Uiterlijk

Voertuigen die deelnemen aan een drag race ­evenement dienen te allen tijde een representatief uiterlijk te hebben. Als de keurmeester een wagen niet representatief vindt, mag hij hem afkeuren. Het uiterlijk van ploegleden is eveneens belangrijk en wordt op dezelfde manier beoordeeld.

10:3 Armbeveiliging

Indien verplicht in het klassenreglement moeten armbeveiligingen worden gedragen en op zo’n manier zijn afgesteld dat de handen van de bestuurder en/of de armen niet buiten de rolkooi kunnen komen. Armbeveiligingen moeten worden gecombineerd met veiligheidsgordels. Als de veiligheidsgordels worden losgenomen moeten ook de armbeveiligingen loskomen. Kijk hierbij naar de instructies van de fabrikant.

10:4 Papieren

Elke bestuurder is verplicht een KNAF- of een gelijkwaardige buitenlandse licentie te hebben. Tevens kan elke bestuurder van een voertuig dat aan de wedstrijd deelneemt in het bezit zijn van het Explosion lidmaatschap. Hij/zij krijgt korting op het inschrijfgeld.

10:5 Rijders veiligheidsgordels systemen

Er dient een snelsluitsysteem met 3" schouderharnas gebruikt te worden die voldoet aan SF1 specificatie 16.1 voor alle voertuigen die volgens de reglementen moeten zijn voorzien van een rolbar of rolkooi (het gebruik is toegestaan in alle andere klassen). Veiligheidsgordels dienen duidelijk gelabeld te zijn met de goedkeuringseisen SFI specificatie 16.1 en fabricatiedatum. Alle veiligheids-systemen moeten door een fabrikant zijn gebouwd. Auto’s die een standaard stoel gebruiken mogen de heupbanden langs in plaats van door de stoelen voeren. Er mogen alleen veiligheids gordels worden gebruikt waarbij alle vijf bevestigingspunten in een beweging kunnen worden losgemaakt. Als er gebruik wordt gemaakt van armbeveiligingen moet er een beveiliging zijn aangebracht die verhindert dat de hendel van de veiligheidsgordel per ongeluk kan worden bediend. Alle bevestigingspunten van de veiligheidsgordel dienen aan het frame of de dwarsbalk te zijn bevestigd. De veiligheidsgordel dient zo te zijn ingesteld dat het lichaam van de bestuurder wordt beperkt in zowel opwaartse- als voorwaartse richting. Veiligheidsgordels mogen niet rond de onderste framebuizen worden gedraaid. Onder geen enkele omstandigheid mogen er bouten door de riemen worden bevestigd. Controleer de fabrikantgegevens.

TEKENING 10:5

10:6 Hoofdbescherming

In elke auto met een rolbar of rolkooi moet een stootkussen zijn aangebracht dat voorkomt dat het hoofd van de bestuurder te ver achterover slaat om zo whiplash te voorkomen bij een ongeluk. De rolbar of -kooi moet overal worden bekleed waar de helm van de bestuurder de rolbar of -kooi kan raken. De bekleding moet minimaal ¼" ingedrukt kunnen worden of voldoen aan SFI specificatie 25.1. Het gebruik van tochtstrip anderszins dun en zacht materiaal is verboden. Een beklede rolbar of rolkooi is niet voldoende als hoofdbescherming of deze moeten binnen 4" van de bestuurdershelm zijn geplaatst. Een stoel met ingebouwde hoofdbescherming is ook toegestaan.

TEKENING 10.6

10:7 Helmen en brillen

(Dit reglement is afkomstig uit het NHRA Rulebook 2003, FIA Reglementen 2003 en SBF Reglementen 2003).

Zoals omschreven in de klassenreglementen dienen alle bestuurders van auto’s en motoren een helm te dragen die voldoet aan Snell of SFI specificaties of BSI BS 6658-85 type A (inclusief alle rechten) specificaties. Geaccepteerd wordt dat Snell K-98 gebruikt mag worden in plaats van een Snell M gemerkte helm.

SFI spec. 31.1A = Snell SA, open gezicht helm

SFI spec. 31.2A = Snell SA, integraal helm

SFI spec. 41.1A = Snell M, open gezicht helm

SFI spec. 41.2A = Snell M, integraal helm

Bestuurders van voertuigen in de klassen Super Street, Super Gas, Super Comp en ET auto´s sneller dan 13,99 seconden (maar niet sneller dan 7,50 sec) moeten een helm dragen die voldoet aan Snell 90, 95, 2000, K98, SFI 31.1A, SFI 31.2A, SFI 41.1A of SFI 41.2A specificaties. Uitzondering hierop zijn bestuurders van open wagens, voorzien van turbo- of supercharger, met voorliggende motor. Deze dienen een helm te dragen die voldoet aan Snell SA95, SA 2000, SFI 31.1A of SFI 31.2A specificaties.

Bestuurders van Top Fuel, Funny Car, Pro Mod, Pro Stock, Top Methanol Dragster, Top Methanol Funny Car en ET auto´s sneller dan 7,50 seconden moeten een helm dragen volgens Snell SA 95, SA 2000 of SFI 31.2A specificatie, behalve als anders vermeld wordt in de klassenreglementen.

Bestuurders van open wagens die een open gezicht helm dragen moeten ook een beschermende bril dragen. Aanpassingen aan helmen, vizieren of schermen zijn verboden. Alle helmen dienen te zijn voorzien van een keuringssticker.

10:8 Halskragen

Halskragen dienen gemaakt te zijn door een fabrikant die race halskragen fabriceert. Er zijn twee verschillende typen halskragen toegestaan en wel de 360 graden “donut” type en het “hoefijzer”-model, zie het klassenreglement welk type is toegestaan. Aanpassingen aan de halskragen zoals aangegeven door de fabrikant zijn toegestaan. Halskragen dienen te voldoen aan SFI specificatie 3.3 zoals omschreven in het klassenreglement.

10:9 Inzittende

Er mag niet meer dan 1 persoon in een voertuig aanwezig zijn tijdens een run. Alleen in auto’s die langzamer zijn dan 14 seconden is een duopassagier toegestaan. De duo­passagier dient een minimum leeftijd te hebben van 16 jaar. Alle inzittenden van sleepwagens dienen in de wagen te zitten als er met de deze wordt gereden. Als er een auto wordt gestart, of dit nu in de pits of in het startveld is, dient er een gekwalificeerde bestuurder in de auto te zitten. Indien aan deze regel niet wordt voldaan is dit reden tot diskwalificatie.

10:10 Beschermende kleding

Bestuurders dienen minimaal beschermende kleding te dragen die voldoet aan de volgende standaarden:

3.2A/20

3.2A/15

3.2A/5 of 1986FIA

3.2A/1 of 1986FIA

FC

TMFC

TF

TMD

PM

PS

CE

S/C

S/G

ET (7,50 – 9,99 sec)

SSC

ET (10,00 – 11,99)

Behalve zoals hieronder omschreven:

Superchargers, auto’s met voorliggende motoren en open auto’s of elke auto met een automatische versnellingsbak in het bestuurderscompartiment moeten beschermende kleding dragen die voldoet aan 3.2A/15. ledere bestuurder dient te zijn voorzien van een helmmuts, handschoenen en schoenen die voldoen aan reglement 3.2A/20 of schoenen die voldoen aan 3.2A/1 De pakken kunnen uit een losse jas en broek bestaan of een overall zijn. Zowel de jas als de broek dienen gelabeld te zijn. Alle handschoenen dienen aan de binnenzijde voorzien te zijn van een laag Nomex. Handschoenen met leren palmen die niet zijn voorzien van een laag Nomex zijn niet toegestaan. Bestuurders die in een open wagen rijden met een voorliggende motor en met een jethelm en beschermende bril rijden moeten een gezichtsmasker dragen. Bestuurders van alle open auto’s moeten vuurbestendige handschoenen dragen die voldoen aan SFI specificatie 3.3.

10:11 Veiligheidsgordels

Alle auto’s die volgens het klassenreglement niet hoeven te zijn voorzien van veiligheids­gordels die voldoen aan SFI specificatie 16.1 moeten zijn voorzien van een geaccepteerd snelsluitsysteem. De veiligheidsriemen dienen stevig te zijn bevestigd aan het frame of de dwarsbalk zodanig dat ze in een rechte lijn lopen. Veiligheidsgordels mogen niet om de onderste of om andere framebuizen worden gewikkeld. Gegoten stalen bevestigingen zijn toegestaan. Als bevestigingen zijn gemaakt van plaatstaal dienen deze een minimum dikte te hebben van 6,35 mm (1/4") en zijn voorzien van ronde hoeken, dit om te voorkomen dat de riemen worden doorgesneden. Er mogen onder geen enkele voorwaarde bouten door de riemen worden bevestigd. In auto’s met fiberglas vloeren dient een frame gelast te worden bestaande uit minimaal 2" vierkante buis waaraan de veiligheidsriem stevig kan worden bevestigd. Zie algemeen reglement 10:5.

FacebookTwitterHyvesShare

Reglementen – Motoren

Reglementen Motoren 2005

(alle voorgaande uitgaven komen hiermee te vervallen)


Vragen?
Heb je vragen over de reglementen neem dan altijd contact op met je klassevertegenwoordiger, de reglementencommissie of de wedstrijd-secretaris.


 

Explosion reglementen Nederland 2005

(alle voorgaande uitgaven komen hiermee te vervallen)

- Explosion Sprint & Dragrace Championship

General Technical Competition-motorcycle regulations

Additional regulations:

- Junior Dragbikes

- Pro Scooter (PS)

- Street Bike (SB)

- Street Twin (ST)

- Ultimate Street Bike (USB)

- Super Street Bike (SSB)

- Super Street Twin (SST)

- Pro-Stock Bike (PRO)

- Funny bike (FB)

- Top Fuel Bike (TF)

- Super Twin Top Gas (STG)

Let op! Het is slechts 1-seizoen mogelijk om met KNMV daglicenties te rijden Vervolgens is een normale licentie verplicht, die overigens ook een betere (persoonlijke ongevallen) dekking biedt.

Reglementen zijn natuurlijk constant aan veranderingen onderhevig. Indien in deze reglementen iets ontbreekt of aangepast moet worden, gezien in internationaal verband, tengevolge van technische ontwikkelingen, de aard of het niveau der competitie of deelnemersveld in een bepaalde klasse, of gewoon volgens gezond verstand, stuur ons dan een onderbouwd verzoek om wijziging of toevoeging(en). Het bestuur van EXPLOSION beslist uiteindelijk hierover.

Eventuele tussentijdse reglementswijzigingen zullen dan in de ‘Sprinter’ gepubliceerd worden.

Bedenk wel dat voor al deze reglementen uiteindelijk de KNMV Motorsport Reglementen is.Neem voor informatie contact op met de KNMV (Secr. Sport: 026-3528515)


 

Explosion Sprint- & Dragrace Championship

Championship is open to all members of EXPLOSION .

The classes will be as follows:

• Junior Dragbikes (JD) Junior klasses in the age of 10-12 and 13-18 jears old

• Pro Scooter (PS) Mopeds or scooters, modified for dragracing.

• Street Bike (SB) Street certified bikes, minor modifications. ­Index applies.

• Street Twin (ST) Street certified, two cylinder bikes, minor modifications.

• Ultimate Street Bike (USB) Street certified bikes, limited modifications for dragracing. Index applies.

• Super Street Bikes (SSB) Street based motorcycles, modified for drag­racing.

• Super Street Twins (SST) Street based motorcycles, two cylinder maximum, modified for dragracing.

• Pro Stock (PRO) Stock appearing, gasoline burning, normally ­aspirated class, built for dragracing.

• Super Twin Top Gas (STG) Gasoline burning, two cylinder motorcycles, built for dragracing.

• Funny bike (FB) Gasoline or Methanol burning, all cylinder motorcycles, specially built for drag­racing class.

• Topfuel Bikes (TF) Ultimate motorcycles, specially built for drag­racing class. Unlimited modifications and fuels.

NOTE: A minimum of two events per class in a season to comprise the Club Championship.


Specifications vehicles: 1

Motorcycles must comply with standing technical regulations.

Classification: 2

At the conclusion of the season, all points scored by Explosion members will be added together and the rider with the highest number of points will be declared class-champion. Number of scoring points to be announced prior to start of next season.

Points: 3

Points at each round will be allocated as follows for every competitor:

Attendance points: each competitor who has been scrutineered and signed on: 11 points

Abandonment: In the event of racing being terminated or abandoned by bad weather before conclusion, points will be rewarded up to the last completed round of competition or qualifying for each class.

Points awarded in a (4, 8, 16 of 32-Field) :

11 points after event registration and tech inspection

Qualifying position:
1 : 8 points

2 : 7 points

3 : 6 points

4 : 5 points

5 and 6 : 4 points

7 and 8 : 3 points

9 t/m 12 : 2 points

13 t/m 32 : 1 point

Eliminations 32-Field 16-Field 8-Field 4-Field
Winner
110 pnt
100 pnt
90 pnt 80 pnt
Runner-up 90 80 70 60
Loser 4e round 70 - - -
Loser 3e round 50 60 - -
Loser 2e round 30 40 50 -
Loser 1e round 10 20 30 40

Improvement Dutch record: 10 points.

 

Points awarded in Classes with a all-bike/car-run :

11 points after event registration and tech inspection

Qualifying position:
1 : 16 points

2 : 15 ,,

3 : 14 ,,

4 : 13 ,,

5 : 12 ,,

6 : 11 ,,

7 : 10 ,,

8 : 9 ,,

9 t/m 12 : 8 ,,

13 t/m 16 : 7 ,,

17 t/m 20 : 6 ,,

21 t/m 24 : 5 ,,

25 t/m 28 : 4 ,,

29 t/m 32 : 3 ,,

33 t/m 48 : 2 ,,

49 t/m 64 : 1 point

Eliminations 33-64 Field 17-32 Field 9-16 Field 5-8 Field tot 4 Field

Winner 100 90 80 80 80 points

Runner-up 80 70 60 60 60 ,,

Loser 5e round 70 – - – - ,,

Loser 4e round 60 60 – - – ,,

Loser 3e round 50 50 50 – - ,,

Loser 2e round 40 40 40 40 – ,,

Loser 1e round 30 30 30 30 30 ,,

Improvement Dutch record: 10 points. (in classes without a index).

Ties: 4
In the event of a tie between racers for first place in the championship after conclusion of all rounds, the winner will be determined in the following matter:

A] The rider who has won the most races during the championship. If there’s still a tie, then:

B] The rider who qualified highest at the final round of championship.

Startnumbers: 5

The startnumber in a class is reserved for the rider, ending in the Sprint- & Drag­racing Championship the previous year in that position, for the duration of the season. This startnumbers are still reserved, even if the rider is not competing or is moving to another class. All other, subsequent startnumbers are designated by race control by the beginning of each event. In the event riders wishing another startnumber for a particular reason: with consensus of all riders involved, an­other number can be given by the racing secretary before the beginning of the season.

Entry fees: 6

Fees may vary due to particular circumstances involving the organisation of a particular event. In case of abandonment, entry fees paid for the event will not be refunded by the organizer.

Qualifying: 7

A minimum of 3 sessions qualifying will be held; track conditions permitting. There will be compulsory alternate lane qualifying. For first qualifying runs pairs should be run where possible, lane choice for first qualifier is at the discretion of the start crew and singles should be restricted to one only per session, track conditions permitting. A valid qualifying run must be made under engine power and an ET and/or TS must be recorded. In the event of identical qualifying elapsed time, the driver with the faster top speed, recorded on the qualifying runs in question, will be awarded with the lower qualifying position. Runs faster than the index of a particular class, will be placed behind the last valid ET-qualifier, with the fastest ET placed as last qualifying position.

Choice of lane: 8

The rider with the quickest time from the preceding round will be allowed to inspect the start line, if required, immediate prior to the running of his/her class. The driver with the better qualifying ET gets first round lane choice, and in subsequent rounds, lane choice goes to the driver with the lowest ET in the previous round.

Elimination ladder: 9

In all classes, the elimination ladder will be established as follows:

16 Vehicle Field: 8 Vehicle Field: 4 Vehicle Field:

No 1 races No 16 No 5 races No 12 No 1 races No 8 No 1 races No 4

No 2 races No 15 No 6 races No 11 No 2 races No 7 No 2 races No 3

No 3 races No 14 No 7 races No 10 No 3 races No 6

No 4 races No 13 No 8 races No 9 No 4 races No 5

In short fields the American bye run system can be adopted by the race director.

Prior to the first round of any elimination, pairings will be announced. Any queries concerning pairings should be taken up with Race Control not later than one hour before racing is scheduled to start. All classes will be given adequate notice of their running time. All elimination pairs must be run in order of the ladder.

Field size: 10

Field size, track conditions and schedules permitting, will be as follows:

6 qualifiers or less : 4 vehicle field

7-12 qualifiers : 8 vehicle field

13-24 qualifiers : 16 vehicle field

24+ qualifiers : 32 vehicle field

Alternates: 11

It is the responsibility of competitors to report breakages no less than one hour before scheduled time for first round of eliminations. Failure to do so may render their qualifying points void for that meeting. The first alternate will be positioned to race the slowest of the opponents made available by original qualifier failure to appear in round one, the second alternate to race the next slowest qualifier and so on until the ladder is complete or all alternates have been assigned ladder positions.

Burnouts: 12

All pre-race burnouts are restricted to designated areas, using water only. If a contestant’s vehicle should break on a burnout and cannot back up or be push­ed back, it’s not permitted to turn on the track and drive back to the starting line. Crossing the centerline during a burnout is not a disqualification. Fire-burn­outs are strictly prohibited.

Length and time duration of the burnout must be reasonable and in concert with the opponents procedures. Streetbike classes and Street car classes may not cross the starting line on any burnout. Stationary burnout limit: five seconds. Additional burnout limitations are at the discretion of Race Control.

Staging: 13

Once a vehicle reaches the front of the staging lanes for a run, it must be prepared to fire. In order to be a legitimate winner, a contestant’s vehicle must self start and self-stage. This rule also applies to single runs. Push-starting or push-staging any vehicle is prohibited. Staging must be done under the vehicle’s own engine power. Re-starts are allowed as necessary, however, it must be done in a time frame that permits the contestant to complete the run with the designated opponent. If the opponent has been sent on a single run – the bike losing fire may not restart and the run is forfeited.

The application or use of any device, mechanical or electronic, that permits the driver to ascertain the position of their vehicle in relation to the starting line is prohibited. Only visual observation of track equipment may be used to ascertain the vehicle’s position.

In all car-classes preceded by “Super”(i.e. SSC, SG, SC); both riders must be in pre-stage before either rider can stage. THE FINAL STAGING MOTION, USING APPLIED POWER, MUST BE IN A FORWARD MOTION GOING FROM PRE-STAGE TO STAGE POSITION.

A reasonable amount of time will be permitted for drivers to stage. The time limit will be determined in the sole and absolute discretion of the Official Starter. Failure to stage upon the starter’s instructions is possible grounds for disqualification. After proper staging and receiving the Starter’s signal to go, restaging for a second time is prohibited. Any driver leaving the starting line before the start system is activated, including riders on a single run, will have their time disqualified for the run.

Single runs: 14

In situations where a driver is making a single run, he is considered the winner once he stages and receives the start signal, or is declared winner by the official starter. If a competitor crosses the boundary line on a single run, the elapsed time is voided for lane choice determination.

Break-out rules: 15

Contestants who run below the posted index or category standard during eliminations are disqualified, with the following exceptions:

1. When an opponent foul starts or crosses a boundary line.

2. On a single run.

3. When both riders run under their index, the driver that is the least under is the winner.

4. If two contestants run under by the same margin (with ET’s extended to a thousandth of a second), the driver crossing the finish line first is the winner.

Disqualifications: 16

- Red light foul start: Leaving before the start system is activated.

- Lane boundary crossing violation: It is considered a disqualification when any portion of a tyre completely crosses the painted line surface. In case multiple boundary lines are utilized, the line directly adjacent to the competitors racing lane will be used for reference. Intentional crossing of boundary lines to leave track or avoid depositing debris or oil on track, are not grounds for disqualification.

- Excessive braking: Anytime it has been judged that excessive braking has resulted in the loss of control as to cause contact with the guard-rail, light fixtures, or crossing the center boundary lines – INCLUDING PAST THE FINISH LINE – the contestant will be disqualified.

- Contact with track fixture.

- Alcohol or drugs: Any driver and/or pit crew member found to be under the influence of alcohol or drugs, regardless of amount during racing, will be ejected from the event.

First or worst procedure: If both riders commit a foul during a race the rider committing the worst foul will be disqualified for that run. If both riders commit the same foul then the first rider committing the foul is disqualified. The following list of fouls is in descending order (i.e. 1 is worst):

1. Contact with any track fixture (i.e. Christmas tree, timing equipment, guard rail etc.) is grounds for disqualification.

2. Crossing any part of the track centerline.

3. Red light.

4. Crossing any part of the lane boundary lines.

Machine weighing: 17

It’s the responsibility and discretion of the race organizer to weigh machines before or after each qualifying or elimination run where weighing brakes are in force.

Protests: 18
Protests are only acceptable, presented to the class-representative, within 30 minutes after announcement of the racing results, paying a fee of EUR 25,-, plus EUR 100,- in case of displacement check involving cylinder head removal. If an inspection proves a protested vehicle to be out of its proper class, fees will be refunded.

A protested vehicle must be presented, and if required disassembled for inspection by the owner and/or crewmembers upon official demand. Refusal is cause for disqualification and denial of points and price money.

In case an engine displacement found corresponding to the class regulations, the owner receives EUR 100,- to compensate for engine stripdown costs. The fol­lowing tolerances or margin for error are recommended during inspection or teardown: 1 percent or 1 cc.

In all issues the above regulations are not sufficient the roadrace/sprint commission of KNMV decisions are final and are judged by Race Control, the KNMV ‘Motorsport Reglement’ covers all regulations.


General Technical Competition-motorcycle regulations

Specification of motorcycle: Motorcycles must comply with the requirements of the following regulations:

ENGINE: 1

Engine: Can be started with an external starter (Streetbike series exempt). Rollers- or push starts are not allowed. If fitted with a car type engine, the crank­shaft should be mounted across the frame, in line with the wheel spindles. Car engines must run a steel flywheel and a full circle guard

Capacity restrictions: Where the individual class regulations allow, supercharged and turbocharged engines are allowed up to 2000 cc. Normally aspirated engines are allowed up to 3500 cc.

Drain plugs: All drain plugs securing any liquid must be so fitted as to prevent any leakage, and possessively locked against loosening with wire. Oil supply pipes should be adequately wired in position. External oil filters and screws or bolts entering an oil cavity must be safety wired (Streetbike Series exempt).

Overflows: All breathers must terminate in a catchtank of 550 ml minimum capacity, or vent into the exhaust if normally aspirated. Supercharged engines need a catchtank with the same capacity as the oiltank (Streetbike Series exempt).

Engine restraints: V-twin motors running injected nitro, must utilise cylinder head restraint or a ballistic type explosion blanket. Blankets must meet SFI specification.

Exhaust pipes: May not extend behind rear wheel, directed away from rider, gas tank and tyres. Flexible pipes are not allowed.

DRIVETRAIN: 2

Primary transmission: If the clutch and/or primary transmission is exposed, it must be fitted with a guard as a safety measure to protect the rider even as a result of breakage. The guard must be conceived in such a manner that under no circumstances the rider can come into accidental contact with these transmission parts. It must be designed to protect the rider from injuring fingers. Outboard mounted clutches must have a cover of at least 3 mm aluminum or 1 mm steel. Any suitable make or type of drive chain/belt may be installed. Motorcycles with engines driving centrifugal clutches may not be started in the pits unless the rear wheel is elevated off the ground, on a strong, safe support stand.

Gear shift systems: All gear shift systems must be rider controlled. Any form of automatic, computer controlled or RPM activated gear shifting is strictly prohibited. Where the gear shift is air and/or electrically assisted, all wiring and switches for this system must be separated from the main wiring harness, and must be readily traceable and accessible for inspection by the scrutineer. Except where clearly part of an ignition kill device, any part of wiring in the gear shift system which, in the opinion of the scrutineer, passes through, or is connected to a closed control box or unit of any type, will be grounds for disqualification.

Chain Guard: Mandatory on all motorcycles. Chainguard must be 1.5 mm steel or 3 mm thick aluminum and must be securely mounted . Chainguard must cover the width and at least the top run of the chain, from centerline to centerline of sprockets.

FUEL SYSTEM: 3

Fuel tanks: All fuel tanks must be securely fitted to the machine and incorporate securely fitting filler caps. Metal tanks must be robustly constructed.

Non-metallic Fuel Tanks – Non metallic fuel tanks must carry an international standard mark for the purpose for which it is being used e.g. S.F.I., I.S.O.

Fuels: For petrol burning classes, the dielectric constant as per DC meter may not be greater than 4, and Propylene Oxide is prohibited. Octane boosters are permitted.

For non-petrol burning classes, Hydrazine and Propylene Oxide are not permitted, otherwise there are no limitations on the types of fuel permitted. Competitors should check the class regulations for any specific restrictions.

Nitrous Oxide injection systems: Only gas storage cylinders certified for use at the working pressure of the system may be used (this also applies to any machine with a pressurized gas fuel system). All storage cylinders should have rupture discs or safety valve to prevent pressurization. All bottles must be securely mounted: no hose clamps or tie wraps. The bottle to solenoid supply pipe should be of a high quality braided steel hose attached to the frame at regular intervals. Any machine running Nitrous Oxide: the system must remain inoperable until the throttle is fully open. Any other switches must be wired through the ignition switch. The engine must be able to be cranked over without the ignition system operable to enable purging of any gas from the combustion chambers. A separately operated ignition arming switch must be fitted.

Fuel lines: Must be securely fitted at all joints and a quick action fuel tap must be within easy reach of the rider. Where nitromethane fuel is used in any percentage, a lanyard is mandatory to operate a spring loaded fuel shut off valve, with means to completely cut off the fuel supply by handlebar control. Pump driven fuel injection systems must have high pressure tubes as Aeroquip or similar.

Fuel pumps: Any make of fuel pump may be fitted. If electrically operated, the pump(s) must be connected to the ignition switch so that they are switched off with the ignition.

BRAKES & CONTROLS: 4

Brakes: All machines must be equipped with at least one efficient brake per wheel, operating independently and acting directly on the wheel. Hydraulic bra­kes may be fitted to any wheel, provided that the cylinders and lines are adequately protected from accidental damage. The hydraulic fluid reservoir must be mounted in such a position as to allow easy inspection of the fluid level. All disc brakes must be of the double caliper pattern e.g. having brake pads on each side of the disc. Must be able to operate from normal riding position, i.e. both hands on handlebars and feet on footrests. Any class of machine capable of 175 mph and above must be fitted with dual front discs of minimum 230 mm diameter, or single disc of minimum 295 mm diameter. Caliper bolts must be lockwired (Streetbike Series exempt). Disc bolts must be lockwired, unless OEM combinations of production motorcyclewheel, disc(s) and safetybolts/shoulder bolts are used, which make lockwiring impossible or would compromise the safe­ty of the OEM assembly.

Handlebars and control levers: Any type of handlebar may be fitted at the owner’s discretion. It’s compulsory to fit lock stops to ensure a minimum clea­rance of 25 mm between the handlebars and any other part of the machine, to prevent trapping of the riders hands. The minimum angle of rotation either side of center line or mid point is 20 degrees. Handlebargrips, if fitted must be securely attached. All control levers must be of the ball ended type. Once the engine is running a competitor should not have to remove either hand from the handlebars to engage or disengage gear.

Throttle linkage: All motorcycles must have the throttle controlled by hand operated twistgrip, incorporating a positive acting spring attached directly to the carburetor or throttle arm. The throttle must close automatically upon releasing the twistgrip. For any motorcycle running nitromethane fuel, it is mandatory to have a positive return cable as well as a return spring i.e. a push-pull twistgrip. Any machine running Nitrous Oxide, the system must remain inoperable until the throttle is fully open. Any other switches must be wired through the throttle switch. For bikes with slider clutches a throttle locking device that will positively lock the butterfly to barrel valve linkage is mandatory. It is recommended that this device is located at the butterfly end of the linkage, however, a drilled throttle twist grip with locking pin is acceptable. This device is to be operated when the machine is being pushed back with the engine running. The locking device must be suitable flagged to clearly indicate when it is in use.

Footrests: Unless original equipment is used, the footrests should be of 19 mm diameter minimum and ball ended.

TYRES: 5

Tyres: The minimum cross section of tyre allowed for any class is 50 mm. Metal dust caps with rubber gaskets must be fitted to all tyre valves.

BODY: 6
Streamlining:
There must be a clearance off at least 20 mm between the stream­line and the extremities of the handlebars or steering device, including any attachment thereon, whatever the position of the handlebars. It must not be possible for the front wheel to make contact with the streamlining whatever the position of the handlebars. The streamlining must be constructed of metal or ­other suitable flameproof material, and fitted to allow complete liberty of movement of the rider, both when riding and when getting on and off the machine without the streamlining or any part of it having to be displaced. The screen, if fitted, must be constructed of perspex or similar material.

Numbers: Competitors should display their class and vehicle numbers to each side of the machine, in numbers and letters at least 75 mm high.

Appearance: All machines must be of presentable appearance at all times. Entries may be refused where appearance is not considered to be up to the general standards of competition.

ELECTRICAL: 7

Batteries: May be located at the owner’s discretion, provided that the mounting is of sound construction.

Ignition: Any type or make of ignition system may be fitted. A positive acting cut out switch must be fitted, and attached to the top yoke or handlebars. Ignition kill buttons are not acceptable (Streetbike Series exempt). For Super Street Bike, Super Street Twins, Pro-Stock, Super Twin Top Gas, Competition Bike, and Super Twin Top Fuel where applicable, all machines must have a possessive kill switch attached to the rider by a lanyard which will also kill nitrous oxide systems. (Ignition cut-out systems exempt for engines running nitro. See chapter 3.)

SUPPORT GROUP: 8

Computers/Data recorders: Computers are only allowed for engine management control (fuel injection and ignition). Throttle operation, shifting, clutch activation etc. are to be solely under control of the rider. Any kind of traction controls is strictly forbidden. Data recorders may be used to record functions on a motorcycle, so long as they do not activate any function on the vehicle. Data recorders may not be activated by the throttle, clutch, brake, etc. mechanism, or by the Christmas Tree, radio transmitters, sensing of wheel speed, inertia, laser device, or transmission of track position. It must be activated by a separate switch. Fifth wheel sensing devices prohibited on all vehicles (including wheelie bar). All lines sensing flow, pressure, etc., of fuel or oil must be metallic or steel braided. Transmission or display of data gathered or processed by data recorder, to the driver or any remote location prohibited. Data may only be reviewed (print out, replay, etc.) after the run.

RIDER: 9

Eligibility: For National Competitions, Entrants and riders must hold a current competition license for National or International events issued by the KNMV, or a European “A” license issued by EU Federations or Associates.

A KNMV one-day license can be bought at the racing secretary, prior to each event, one per driver each season.

Protective clothing: It’s not advised that bulky objects such as tools etc. are carried in pockets or on the person. During practice and racing, riders must wear the following clothing and footwear:

Competitors must wear a complete leather suit of at least 1.2 mm in thickness (on all parts of the suit). Two piece suits that zip together at the waist are acceptable. Non-leather material may be used if it meets with the requirements laid down by the FIM in article 65.07 (see below). The following areas must be padded with at least a double layer of leather or enclosed plastic foam at least 8 mm thick: – Shoulders – Elbows – Both sides of the torso and hipjoint – The back of torso – Knees.

Competitors must wear complete undergarments if they use suits which are not lined. Suitable undergarments may be of the NOMEX type, they may also be of silk or simply cotton. Synthetic materials which may melt and which could harm the riders skin in an accident are not allowed, neither for the suit nor for the undergarments.

Competition footwear must be of leather (i.e. outher hide) or an approved substitute material and of a minimum height of the ankle joint to provide, with the suit, complete protection i.e. no exposed areas.
Competitors must wear leather protective gloves. The fabric or substance of all clothing and it’s lining must be tested and certified by an official scientific institute taking into account the fire and wear resistant qualities of all parts of the clothing which come into direct contact with skin. It must be non-flammable.

Helmets: For standing regulations regarding helmets see article 16.03 through 16.04 of KNMV.

Fire extinguishers: All competitors, with the exemption of those traveling to an event on the machine on which they are competing, must have a 2 kg (minimum) dry powder fire extinguisher available for immediate use. If a ‘’closed vehicle” is being used, the extinguisher must be fitted adjacent to, or on the inside of the working door. In the case of a shared vehicle the other competitor extinguisher(s) should also be visible, or, the fitted extinguisher(s) must be of a proportionally larger capacity.

• FIM Article 65.07 – Material equivalent to leather

The following characteristics of the material must be at least equivalent to 1.5 mm of cowhide (not split leather).

- Fire retardant quality;

- Resistance to abrasion;

- Coefficient of friction against all types of asphalt;

- Perspiration adsorbing qualities;

- Medical test;

- Non toxic and non allergic;

- Fabric of a quality that does not melt.


Junior bikes

Ages 10 – 12

Ages 13 – 18

Reserved for all “street legal” or “non-street legal” (stock or make) single or twin cylinder motorcycles with any frame configurations. Rider and motorcycle size must conform to each other. All races are limited to 1/8th mile. Ages 10 – 12 are restricted to run 12.90 ET or slower. Ages 13 – 18 are restricted to run 8.90 ET or slower. All races will be run on an ET dial in basis.

Requirements and Specifications:

ENGINE: Any name brand, make or model. Must be single or twin cylinder engine. Any configuration and engine is legal as long as the Tech Inspector approves it. Small engine modifications are legal such as: exhaust, air cleaners and carburetor. Engine must retain stock design.

FUEL: Only general available road fuels allowed. Nitrous oxide is not allowed.

DRIVE TRAIN: Must have chain or belt guard for primary and secondary drives.
May be any variety or manufactured transmission with any number or speeds. Must be approved by Tech Inspector.
May have any variety of manufactured clutch. May have automatic or manual clutch. Belt drives are legal. Rear wheel drives may consist of any ratios and materials. Air shifters are allowed.

SUSPENSION AND BRAKES: Front and rear brakes mandatory (disc or drum).

Front suspension minimum size 28 mm and minimum travel of 2 inches. Rear suspension not necessary. Struts allowed.
Handlebar controls must be located in safe, workable position. Footpegs and foot controls should be located in safe, workable position and must be mounted in a safe, craftsman-like manner. All controls must meet or exceed OEM equipment standards.

FRAME:
Must be purpose built and of tubular construction utilizing a rigid rear end. Any oem style and material frame is allowed. If Purpose build the frame must been made off chrome molly tubing. Frame must meet Tech Inspector’s approval. Wheel base is unlimited.
The ground clearance minimum size of 50 mm with rider on bike and 10 p.s.i. in rear tire (includes exhaust and kickstand).
Rider must be able to reach all controls safety and able to place both feet flat on the ground.

Wheelie bars are highly recommended.

WHEELS AND TIRES:
Tires: any make or size. Slicks are permitted.
Wheels: any make or size are permitted.

BODY:

Must have rear mudguard or body work extending past the rear axle. Stock OEM fenders and gas tank, or custom fenders and gas tanks are allowed, but must be mounted and constructed in a safe, craftsman-like manner.
The seat must be securely attached so as to prevent the rider from sliding backwards.

ELECTRICAL:
Any ignition system is allowed.
Starting systems are electric, kick or with external starter. No push or roller starts.
Control switches must be mounted and constructed in a safe, craftsman-like manner. There must be an emergency kill switch.

Only data gathering computers are allowed.
Lights are not necessary.

RIDER:
Helmets are full face only. Refer to Helmet section of hand book.
Protective clothing are leather jacket, full-finger leather gloves and hi-top leather shoes or boots.

TECH:

Tech Inspector or Tech Official will have final say on any unclear rule or equipment.


 

Additional regulations Pro Scooter

Racing distance limited to 1/8 mile. Competitors must be 16 years over.

Designation: PS-, preceded by rider number .

1. Definition: This class will be for mopeds- or scooters, modified for dragracing.

2. Engine: Must be of a type specifically designed and manufactured for a production moped or scooter with 50 cc displacement. May be of other make or type. If liquid cooling is used: only watercooling allowed. No factory-racing or crosser engines allowed. Capacity restrictions: Maximum 90 cc. Stroke of engine may not be altered.

3. Fuel: Only general available road fuels allowed. Only lubricating 2-stroke additives allowed.

4. Fueltank: Must be securely attached to frame.

5. Exhausts: Working muffler required.

6. Frame: Any type allowed. Must be of sound construction. Control devices must fitted securely. No sharp edges allowed. If a fairing is added, it must be fitted securely.

7. Clutch: Operation by rider only. Lock-up systems allowed if fitted in stock housing. Clutch-cover spacers allowed.

8. Gearbox: If engine has no 5- or 6 speed gearbox as OEM, casings may be replaced to allow 5 or 6 gear boxes to be used. No external gear box al­low­ed. Automatic or semi-automatic boxes prohibited, unless OEM. Maximum of 6 gears allowed. Electro- or airshifters allowed. Front chain-drive spro­cket must be covered.

9. Carburetor: Any type of carburetor may be used. Type of 2-stroke induction system may be altered.

10. Supercharger and turbocharger: Not allowed.

11. Nitrous oxide: Not allowed.

12. Electrical: Any ignition system allowed.

13. Lights: Lenses must be taped over. Mirrors and indicators must be removed or taped over. License plates must be removed.

14. Seats: Any type allowed. Must be securely fitted to the machine. Any padding must be securely attached to the seat.

15. Mudguards: Allowed. Must be securely fitted.

16. Chainguard: Mandatory. Scrutineer decides about safety.

17. Stands: Must be securely fitted with a spring or other wise wired up or removed.

18. Front suspension: Must be operational. Any make or type allowed. Lo­wer­ing of tubes through yokes allowed, as long as travel or steering is unaffected.

19. Rear suspension: Any make or type allowed. Modified swinging arm, ­struts, or hard-tail frame allowed.

20. Brakes: Working front- and rear brakes mandatory.

21. Wheels: Minimum 12” diameter.

22.Tyres: : Readily available motorcycle street tyres only, 1.5 mm minimum ­tread depth measured before start of racing event. Tyres that have manufactory wear indicators like MT are worn when the tire and indicator are level .Slicks, hand cut slicks and tyres marked ‘Not for highway use’ not allowed. Any tyre which, in the opinion of the scrutineer, bears any ­signs of having sidewall markings or lettering tampered with, will be grounds for immediate exclusion of the rider from the event.

23. Wheelie bars: Allowed.

24. Protective clothing: Mandatory is: Helmet certified for street use, and gloves. Clothing must be presented for scrutineering.


Additional regulations Street Bike

An index applies for SB: 6.700 s @ 1/8 mile

10.500 s @ ¼ mile

Designation: SB-, preceded by rider number .

1. Definition: This class will be for street certified motorcycles, with minor modifications for dragracing. A valid road registration must be presented.

2. Engine: Must be of a type specifically designed and manufactured for a production motorcycle. May be of other make or type. Starting system must be internal- or kick. No external starters allowed.

3. Fuel: Only general available road fuels allowed.

4. Fueltank: Must be securely attached to frame with rubber mounts. Dummy tanks not allowed, unless OEM.

5. Exhausts: Muffler(s) required at 98 dBA tracks.

6. Frame: Aftermarket frames allowed if registered. Maximum wheelbase permitted is 65”/1650 mm,. Ground clearance with rider on bike: 80 mm minimum. Minimum handlebar width: 500 mm. Turning arc not to exceed stock travel. Control devices fitted must be for use on public highway.

7. Clutch: Operation by rider only. Lock-up systems allowed if fitted in stock housing. Clutch-cover spacers allowed.

8. Gearbox: Only gearboxes fitted in stock housing allowed. Automatic or semi-automatic boxes prohibited, unless OEM. Electro- or airshifters allowed.

9. Carburettor: Any type of carburetor or fuel injection may be used.

10. Supercharger and turbocharger: Not allowed unless OEM.

11. Nitrous oxide: Not allowed.

12. Electrical: Any ignition system allowed. Charging system mandatory.

13. Lights: Working head- and taillight(s) mandatory. Lenses must be taped over. Mirrors and indicators must be removed or taped over. License plates must be removed.

14. Seats: Any type allowed. Must be securely fitted to the machine. Any padding must be securely attached to the seat.

15. Mudguards: Must be fitted.

16. Chainguard: Mandatory. Scrutineer decides about safety.

17. Stands: Must be securely fitted with a spring or athore wise wired up or removed.

18. Front suspension: Any make or type allowed. Minimum inner tube diameter: 35 mm or stock. Length not less than stock length minus 50 mm. Minimum travel: 100 mm or stock. Lowering of tubes through yokes allowed, as long as minimum travel or steering is unaffected.

19. Rear suspension: Any make or type allowed. Suspension has to be operational. Struts prohibited.

20. Brakes: Working front- and rear brakes mandatory. Minimum disc diameter 180 mm. Minimum 3.5 mm thickness or stock. Drilling of cast-iron discs prohibited. Drum-brakes must be of double working type and minimum 200 mm diameter. Overall braking capacity must correspond with weight and power of motorcycle.

21. Wheels: Only wheels intended for motorcycle use, stock or aftermarket, allowed. Rear rim should not exceed tyre width.

22.Tyres: : Readily available motorcycle street tyres only, 1.5 mm minimum ­tread depth measured before

start of racing event. Tyres that have manufactory wear indicators like MT are worn when the tire and

indicator are level .Slicks, hand cut slicks and tyres marked ‘Not for highway use’ not allowed. Any

tyre which, in the opinion of the scrutineer, bears any ­signs of having sidewall markings or lettering

tampered with, will be grounds for immediate exclusion of the rider from the event.

•  Wheelie bars: Not permitted on Streetbike.

•  Protective clothing: Mandatory is: Helmet for motorcycle use, leather jacket, trousers, gloves and boots, minimum above ankle joint high. Clothing must be presented for scrutineering.


 

Additional regulations Street Twin

Designation: ST-, proceded by rider number .

1. Definition: This class will be for street certified, two cylinder motorcycles, with limited modifications for dragracing. A valid road registration must be presented.

2. Engine: Must be a maximum two cylinder type, specifically designed and manufactured for a production motorcycle. May be of other make or type. Capacity restrictions: Maximum 98 CI/1606 cc. Starting system must be internal- or kick. No external starters allowed.

3. Fuel: Only general available road fuels allowed.

4. Fueltank: Must be securely attached to frame with rubber mounts. Dummy tanks not allowed, unless OEM.

5. Exhausts: Muffler(s) required at 98 dBA tracks.

6. Frame: Aftermarket frames allowed if registered. Maximum wheelbase permitted is 68”/1730 mm. Oem Frames that have a standard longer wheelbase than 68”/1730 mm (like the V Rod en Kawasaki meansteak)are allowed.

Ground clearance with rider on bike: 80 mm minimum. Minimum handlebar width: 500 mm. Turning arc not to exceed stock travel.

Control devices fitted must be for use on public highway.

7. Clutch: Operation by rider only. Lock-up systems allowed if fitted in stock housing. Clutch-cover spacers allowed.

8. Gearbox: Only gearboxes fitted in stock housing allowed. Automatic or semi-automatic boxes prohibited, unless OEM. Electro- or airshifters not allowed. Electronic ignition-cutout systems (Quickshifters, powershifters etc.) allowed.

9. Carburettor: Any type of carburettor or fuel injection may be used.

10. Supercharger and turbocharger: Not allowed unless OEM.

11. Nitrous oxide: Not allowed.

12. Electrical: Any ignition system allowed. Charging system mandatory.

13. Lights: Working head- and taillight(s) mandatory. Lenses must be taped over. Mirrors and indicators must be removed or taped over. License plates must be removed.

14. Seats: Any type allowed. Must be securely fitted to the machine. Any padding must be securely attached to the seat.

15. Mudguards: Must be fitted.

16. Chainguard: Mandatory. Scrutineer decides about safety.

17. Stands: Must be securely fitted with a spring or athore wise wired up or removed.

18. Front suspension: Any make or type allowed. Minimum inner tube diameter: 35 mm or stock. Length not less than stock length minus 50 mm. Minimum travel: 100 mm or stock. Lowering of tubes through yokes allowed, as long as minimum travel or steering is unaffected.

19. Rear suspension: Any make or type allowed. Suspension has to be operational. Struts prohibited.

20. Brakes: Working front- and rear brakes mandatory. Minimum disc diameter 180 mm. Minimum 3.5 mm thickness or stock. Drilling of cast-iron discs prohibited. Drum-brakes must be of double working type and minimum 200 mm diameter. Overall braking capacity must correspond with weight and power of motorcycle.

21. Wheels: Only wheels intended for motorcycle use, stock or aftermarket, allowed. Rear rim should not exceed tyre width.

22.Tyres: : Readily available motorcycle street tyres only, 1.5 mm minimum ­tread depth measured before

start of racing event. Tyres that have manufactory wear indicators like MT are worn when the tire and

indicator are level . Slicks, hand cut slicks and tyres marked ‘Not for highway use’ not allowed. Any

tyre which, in the opinion of the scrutineer, bears any ­signs of having sidewall markings or lettering

tampered with, will be grounds for immediate exclusion of the rider from the event.

•  Wheelie bars: Not permitted on Streettwin.

•  Protective clothing: Mandatory is: Helmet for motorcycle use, leather jacket, trousers, gloves and boots, minimum above ankle joint high. Clothing must be presented for scrutineering.


 

Additional regulations Ultimate Street Bike

An index applies for USB: 6.000 s @ 1/8 mile

9.500 s @ ¼ mile

Designation: USB-, proceded by rider number .

1. Definition: This class will be for street certified motorcycles, with limited modifications for dragracing. A valid road registration must be presented.

2. Engine: Must be of a type specifically designed and manufactured for a production motorcycle. May be of other make or type. Starting system must be internal- or kick. No external starters allowed.

3. Fuel: Only general available road fuels allowed.

4. Fueltank: Must be securely attached to frame with rubber mounts. Dummy tanks not allowed, unless OEM.

5. Exhausts: Muffler(s) required at 98 dBA tracks.

6. Frame: Aftermarket frames allowed if registered. Maximum wheelbase permitted is 68”/1730 mm. Ground clearance with rider on bike: 80 mm minimum. Minimum handlebar width: 500 mm. Turning arc not to exceed stock travel. Control devices fitted must be for use on public highway.

7. Clutch: Operation by rider only. Lock-up systems allowed if fitted in stock housing. Clutch-cover spacers allowed.

8. Gearbox: Only gearboxes fitted in stock housing allowed. Automatic or semi-automatic boxes prohibited, unless OEM. Electro- or airshifters allowed.

9. Carburettor: Any type of carburettor or fuel injection may be used.

10. Supercharger and turbocharger: Allowed.

11. Nitrous oxide: Allowed.

12. Electrical: Any ignition system allowed. Charging system mandatory.

13. Lights: Working head- and taillight(s) mandatory. Lenses must be taped over. Mirrors and indicators must be removed or taped over. License plates must be removed.

14. Seats: Any type allowed. Must be securely fitted to the machine. Any padding must be securely attached to the seat.

15. Mudguards: Must be fitted.

16. Chainguard: Mandatory. Scrutineer decides about safety.

17. Stands: Must be securely fitted with a spring or athore wise wired up or removed.

18. Front suspension: Any make or type allowed. Minimum inner tube diameter: 35 mm or stock. Length not less than stock length minus 50 mm. Minimum travel: 100 mm or stock. Lowering of tubes through yokes allowed, as long as minimum travel or steering is unaffected.

19. Rear suspension: Any make or type allowed. Suspension has to be operational. Struts prohibited.

20. Brakes: Working front- and rear brakes mandatory. Minimum disc diameter 180 mm. Minimum 3.5 mm thickness or stock. Drilling of cast-iron discs prohibited. Drum-brakes must be of double working type and minimum 200 mm diameter. Overall braking capacity must correspond with weight and power of motorcycle.

21. Wheels: Only wheels intended for motorcycle use, stock or aftermarket, allowed. Rear rim should not exceed tyre width.

22.Tyres: : Readily available motorcycle street tyres only, 1.5 mm minimum ­tread depth measured before

start of racing event.Tyres that have manufactory wear indicators like MT are worn when the tire and

indicator are level .Slicks, hand cut slicks and tyres marked ‘Not for highway use’ not allowed. Any

tyre which, in the opinion of the scrutineer, bears any ­signs of having sidewall markings or lettering

tampered with, will be grounds for immediate exclusion of the rider from the event.

•  Wheelie bars: Not permitted on Ultimate Streetbike.

•  Protective clothing: Mandatory is: Helmet for motorcycle use, leather jacket, trousers, gloves and boots, minimum above ankle joint high. Clothing must be presented for scrutineering.



Additional regulations Super Street Bike

Designation: SSB-, proceded by rider number .

1. Definition: This class will be for stock appearance (factory produced motorcycles available to the general public, modified for drag racing) gasoline burning motorcycles.

2. Engine: May be of any type with any modifications. Only one engine allowed.

3. Frame: Steering head geometry, trail and wheelbase may be altered to improve the stabilty of the machine, provided that all modifications are undertaken to a safe and professional standard. Maximum wheelbase permitted is 1730 mm. Ground clearance with rider on bike and minimum 6 psi rear tire pressure: 50 mm minimum. Minimum handlebar width: 500 mm

4. Clutch: Any type, make or pattern may be installed. All clutches must be fully enclosed.

5. Gearbox: Any make or type may be fitted.

6. Carburettor: Any type of carburettor or fuel injection may be used.

7. Superchargers and turbochargers: Allowed.

8. Nitrous oxide injection: Allowed.

9. Lights: Lights need not be operational, but must be of stock appearance. Lenses must be taped over. Mirrors should be removed.

10. Seats: Any type allowed. Must be securely fitted to the machine. Any padding must be securely attached to the seat.

11. Mudguards: Must be fitted like on streetbike.

•  Stands: Must be securely fitted with a spring or athore wise wired up or removed.

•  Suspension: Any type allowed, but if fitted must be operational. Rear ­struts allowed.

14. Wheels: Any type or size allowed, as long as intended for motorcycle use. It’s highly recommended that rear rim width should not exceed tyre width

15. Tyres: Readily available motorcycle street tyres only, 1.5 mm minimum ­tread depth measured before start of racing event. Tyres that have manufactory wear indicators like MT are worn when the tire and indicator are level .Slicks, hand cut slicks and tyres marked ‘Not for highway use’ not allowed. Any tyre which, in the opinion of the scrutineer, bears any ­signs of having sidewall markings or lettering tampered with, will be grounds for immediate exclusion of the rider from the event.

•  Wheelie bars: Not permitted on Super Street Bike.


 

Additional regulations Super Street Twins

Designation: SST-, proceded by rider number .

1. Definition: This class will be for stock appearance (factory produced, maximum two cylinder motorcycles available to the general public, modified for drag racing) gasoline burning motorcycles.

2. Engine: Must be of a type specifically designed and manufactured for a production motorcycle. Only one engine with maximum two cylinders may be used. Capacity restrictions: Maximum 126 CI/2065 cc (normally aspirated). Aftermarket engine cases may be used. Aftermarket cylinderheads may be used. Cylinders without cooling fins are not allowed. Starting system must be internal- or kick. No external starters allowed. Engine must be oiltight (i.e. all valvetrain components enclosed).

3. Exhausts: May not end behind rear wheel. May not end before footpegs, unless bending outwards.

4. Frame: Aftermarket frames allowed. Steering head geometry, trail and wheelbase may be altered to improve the stability of the machine, provided that all modifications are undertaken to a safe and professional standard. Steering head angle may not be less than stock rake or more than 40 de­grees maximum rake. Maximum wheelbase permitted is 70”/1780 mm. Ground clearance with rider on bike and minimum 6 psi rear tire pressure: 50 mm minimum. Minimum handlebar width: 500 mm.

5. Clutch: Stock based clutch mandatory. Lock-up systems allowed. Sliderclutch not allowed.

6. Gearbox: Only gearboxes with stock outer-housing design allowed. Aftermarket gears with any ratios may be used. Electro- or airshifters allowed.

7. Carburettor: Any type of carburettor or fuel injection may be used.

8. Superchargers and turbochargers: Allowed. Engine capacity restricted to stock engine displacement.

9. Nitrous oxide: Allowed. Engine capacity restricted to stock engine displacement.

10. Electrical: Any ignition system allowed. Charging system not mandatory.

11. Lights: Lights need not be operational, but must be of stock appearance. Lenses must be taped over. Mirrors and indicators should be removed.

12. Seats: Any type allowed or stock with a step to prevent the rider from sliding backwards. Any padding must be securely attached to the machine.

13. Mudguards: Must be fitted like on streetbike.

14. Stands: Must be securely fitted with a spring or athore wise wired up or removed.

15. Front suspension: Any type allowed. Minimum travel: 50 mm. Minimum telescopic frontfork inner tube diameter: 34 mm. Fork tubes may not extend above the top yoke without a cover.

•  Rear suspension: Any type allowed, but if fitted must be operational. Rear struts allowed.

17. Wheels: Only wheels intended for motorcycle use, stock or aftermarket, allowed. Rear rim should not

exceed tyre width.

•  Tyres: Readily available motorcycle street tyres only, 1.5 mm minimum ­tread depth measured before start of racing event. Tyres that have manufactory wear indicators like MT are worn when the tire and indicator are level .Slicks, hand cut slicks and tyres marked ‘Not for highway use’ not allowed. Any tyre which, in the opinion of the scrutineer, bears any ­signs of having sidewall markings or lettering tampered with, will be grounds for immediate exclusion of the rider from the event.

19. Wheelie bars: Not permitted on Super Street Twin



Additional regulations Funny Bike

Designation: FB-, proceded by rider number.

1. Alignment: Sufficient trail must be incorporated to ensure proper handling. Recommended is 6 inches.

2. Clutch and primary transmission: Any type, make or pattern of clutch assembly and/or drive chain/belt may be installed. If the clutch and/or primary transmission is exposed, it must be fitted with a guard as a safety mea­sure to protect the rider even as a result of breakage. The guard must be conceived in such a manner that under no circumstances can the rider come into accidental contact with these transmission parts. It must be designed to protect the rider from injuring fingers. Outboard mounted clutches must have a cover of at least 3 mm aluminium or 1 mm steel. Cruciform ­guards are not permitted. Slider clutches must be manufactured from billet rather than cast materials and the guards must have a minimum of 4 mounting bolts of 6 mm diameter.

3. Engine: Engine or engines may be of any internal combustion type, provided that drive is transmitted through one wheel. Engine(s) may be mounted in any position, and any modifications are permitted. Stock cases permitted; aftermarket cases are highly recommended.

4. Exhaust: Any make or type of exhaust allowed. No flexibele pipe allowed.

5. Frame: Frame may be original factory equipment, altered or modified at the owners discretion, or of tubular type frame construction. All butt welds must have visible reinforcement and no grinding of filling of welds is allowed. It’s not allowed to use the engine as a stressed member of the frame.

6. Ground clearance: Ground clearance with rider on bike and minimum 6 psi rear tire pressure: 50 mm minimum

7. Mudguards: All bikes must have front and rear fenders. must be constructed of material with no sharp edges and must be

securely fitted to the machine .

8. Seats: Must be securely fitted to frame, and be constructed as to prevent slipping backwards from the proper riding position. Any padding used must be securely attached.

9. Superchargers: Turbos and blowers will be considered the same. May be fitted at the owners discretion. It’s recommended that a guard be fitted over the belt drive on superchargers mounted in front of the engine. Where a supercharger is mounted behind the engine, such a guard is mandatory. Where a supercharger is chain driven, guards of 3 mm thick DURAL or equivalent strength material, are a minimum requirement, in respective of the position of the unit. Explosion proof blankets fully surrounding the supercharger are highly recommended.

10. Body Body Must run a similar to stock body Entire bike must resemble the stock appearance

11. Suspension: The minimum front fork stanchion diameter is as follows:

Maximum bike weight: Minimal tube diameter:

136 kg 28 mm

158 kg 30 mm

204 kg 32 mm

over 204 kg 35 mm

•  Front tyre: Front tyres to be of racing type or, if of road type, minimum specification “V”-rated.

•  Wheels: All wire spoked wheels must utilize steel spokes of adequate strength and properly laced. Wheels manufactured for cars may be used providing the fitting to the machine is of sound engineering. All wheels must run through and all bearings must be in good condition. Wheel spin­dle nuts must be secured. BRAKES Minimums: Front: dual, 230 mm diameter, or single disc of minimum 295 mm diameter All brake lines are to be steel braided .Max tire width 13 inch slick.

•  Chains: Chain should be of closed type without masterlink, or the masterlink should be safetywired or saved by silicone. Chainguard must have length till the end of rear sprocket.

15. Wheelbase: At the owners discretion.

16. Wheelie bar: : Wheelie bars are highly recommended. Mandatory on motorcycles using nitrous oxide. Maximum length may be equal to, but not exceed, the wheelbase of the motorcycle. Wheelie bar length is measured from center of rear axle to center of wheelie bar wheel(s). Wheels must be non-metallic.

17.Fuel and fuel system: Pump or racing gasoline generally available allowed. Methanol allowed. Nitrous

oxide allowed .Octane boosters allowed. Water injection allowed. Nitromethane strictly prohibited. Steel

braided fuel lines are mandatory on all pump driven fuel systems. Dual cable positive return throttle are

mandatory. All non-braided fuel lines must be fastened with a metal clamp,band or fitting (no wire). Be

careful not to over tighten.


 

Additional regulations Competition Bike

Designation: CB-,proceded by rider number.

1. Alignment: Sufficient trail must be incorporated to ensure proper handling. Recommended is 6 inches.

2. Clutch and primary transmission: Any type, make or pattern of clutch assembly and/or drive chain/belt may be installed. If the clutch and/or primary transmission is exposed, it must be fitted with a guard as a safety mea­sure to protect the rider even as a result of breakage. The guard must be conceived in such a manner that under no circumstances can the rider come into accidental contact with these transmission parts. It must be designed to protect the rider from injuring fingers. Outboard mounted clutches must have a cover of at least 3 mm aluminium or 1 mm steel. Cruciform ­guards are not permitted. Slider clutches must be manufactured from billet rather than cast materials and the guards must have a minimum of 4 mounting bolts of 6 mm diameter.

3. Engine: Engine or engines may be of any internal combustion type, provided that drive is transmitted through one wheel. Engine(s) may be mounted in any position, and any modifications are permitted.

4. Exhaust: Any make or type of exhaust allowed. No flexibele pipe allowed.

5. Frame: Frame may be original factory equipment, altered or modified at the owners discretion, or of tubular type frame construction. All butt welds must have visible reinforcement and no grinding of filling of welds is allowed. It’s not allowed to use the engine as a stressed member of the frame.

6. Ground clearance: Ground clearance with rider on bike and minimum 6 psi rear tire pressure: 50 mm minimum.

7. Mudguards: Are not compulsory, but if fitted must be of material with no sharp edges, and must be securely fitted to the machine. If a stock front mudguard is removed and an aftermarket item is used, a fork brace of adequate dimensions must be fitted on machines weighing 205 kg and over.

8. Seats: Must be securely fitted to frame, and be constructed as to prevent slipping backwards from the proper riding position. Any padding used must be securely attached.

9. Superchargers: May be fitted at the owners discretion. It’s recommended that a guard be fitted over the belt drive on superchargers mounted in front of the engine. Where a supercharger is mounted behind the engine, such a guard is mandatory. Where a supercharger is chain driven, guards of 3 mm thick DURAL or equivalent strength material, are a minimum requirement, in respective of the position of the unit. Explosion proof blankets fully surrounding the supercharger are highly recommended.

10. Suspension: The minimum front fork stanchion diameter is as follows:

Maximum bike weight: Minimal tube diameter:

136 kg 28 mm

158 kg 30 mm

204 kg 32 mm

over 204 kg 34 mm

11. Front tyre: Front tyres to be of racing type or, if of road type, minimum specification “V”-rated.

•  Wheels: All wire spoked wheels must utilise steel spokes of adequate strength and properly laced. Wheels manufactured for cars may be used providing the fitting to the machine is of sound engineering. All wheels must run through and all bearings must be in good condition. Wheel spin­dle nuts must be secured. BRAKES Minimums: Front: dual, 230 mm diameter, or single disc of minimum 295 mm diameter All brake lines are to be steel braided

•  Chains: Chain should be of closed type without masterlink, or the masterlink should be safetywired or saved by silicone. Chainguard must have length till the end of rear sprocket.

14. Wheelbase: At the owners discretion.

15. Wheelie bar: Wheelie bars are highly recommended. Mandatory on motorcycles using nitrous oxide. Maximum length may be equal to, but not exceed, the wheelbase of the motorcycle. Wheelie bar length is measured from center of rear axle to center of wheelie bar wheel(s). Wheels must be non-metallic.



Additional regulations Super Twin Top Gas

Designation: STG-, proceded by rider number.

1. Engine: Only 2 cylinder four stroke and two stroke engines allowed. No displacement limit. Car engines are only allowed if the motorcycle is constructed so the weight and weight distribution is similar to a motorcycle with a motorcycle engine.

2. Fuel: Only general available gasoline allowed. No Nitrous Oxide or Alcohol.

3. Brakes: Motorcycles must be equipped with two independent brakes, working on two wheels. Disc brake minimum diameter 175 mm, drum brake diameter 150 mm. Motorcycles over 500 cc must have front disc brake. Minimum 250 mm diameter, 4 mm thick for single disc, or 220 mm diameter, 4 mm thick for dual rotor front brake.

4. Wheels: The motorcycle must be equipped with a front wheel made for motorcycles. The rear rim should not be more than 50 mm narrower than contact surface of rear tyre. The minimum front rim width should be 1”. Minimum diameter 16”. Wheel spindle nuts must be secured.

5. Tyres and tubes: Tyres should be slick type, or have a minimum tread depth of 2.0 mm. Motorcycles exceeding 200 km/h should have front tyres with at least ‘V’-rating, or be of natural rubber, racing type.

6. Frames: Stress bearing tubes in the frame should be at least 20 x 1.5 mm. If a single backbone tube is used, it should be at least 50 mm. The engine should not be a stressed part of the frame. The engine should be located so that a safe weight distribution is achieved.

7. Ground clearance: Minimum ground clearance with rider in position, proper tyre pressure and fork completely compressed is 50 mm. It must be possible to lean the motorcycle 12 degrees to each side from the upright position, without any part of bike, except the wheels, touching the ground.

8. Front suspension: The front fork must be of the hydraulic type. Fork tubes may not extend more than 30 mm above the top fork crown. Minimum stroke is 50 mm. No part of bike, except the wheels, may touch the ground with the forks bottomed. Inner tubes minimum diameter is 34 mm.

9. Seats: Seats must be constructed to give the rider a safe riding position, and must not be dangerously uncomfortable.

10. Wheelie bars: Wheelie bars are required in Supertwin Top Gas. Wheels should be non-metallic.

•  Superchargers: May be fitted at the owners discretion. It’s recommended that a guard be fitted over the belt drive on superchargers mounted in front of the engine. Where a supercharger is mounted behind the engine, such a guard is mandatory. Where a supercharger is chain driven, guards of 3 mm thick DURAL or equivalent strength material, are a minimum requirement, in respective of the position of the unit. Explosion proof blankets fully surrounding the supercharger are highly recommended.

•  Chains: Chain should be of closed type without masterlink, or the masterlink should be safetywired or saved by silicone. Chainguard must have length till the end of rear sprocket.

 


back


 

 

 

 

 

 

 

 

FacebookTwitterHyvesShare

Sponsors



www.vanleersum.nl
www.voscatering.nl
















eXplosion sponsoren
www.RedneckCars.com
www.stepaside.nl
www.silverstone.nl
www.reproad.nl
www.doctortrannie.com
www.getparts.nl
www.everyoneweb.com/polyesterparts

Media partners


www.KR8CruiseMagazine.nl
www.doyousee.me
www.v8meetings.nl
www.motorrevue.nl
www.autosport.nl
www.bigblockmopar.nl

Switch to our mobile site